Een Bijbelstudie over Exodus 20

Tijdens mijn jaren in Zwitserland bezocht ik regelmatig het klooster van Einsiedeln. Iedere keer werd mijn blik vanzelf omhoog getrokken naar het indrukwekkende plafond, waar engelen, bijbelse taferelen en andere religieuze afbeeldingen met uitzonderlijk vakmanschap waren geschilderd. Of je nu rooms-katholiek, protestants of helemaal niet gelovig bent — het is moeilijk om niet onder de indruk te raken van zoveel artistiek talent.
Juist daarom zou het jammer zijn als christenen zouden moeten concluderen dat iedere afbeelding per definitie zondig is. Dan zouden we onszelf beroven van eeuwen aan kunst, vakmanschap en visuele uitbeeldingen.
Onlangs hoorde ik een christelijke spreker uitleg geven over het Tweede Gebod. Zij las Exodus 20:4-5 voor, maar baseerde haar conclusie vrijwel volledig op de eerste woorden: “U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.” Het vervolg — “U zult zich daarvoor niet neerbuigen en die niet dienen…” — behandelde zij als een afzonderlijk verbod, in plaats van als de voortzetting van dezelfde gedachte. Haar conclusie: iedere afbeelding is verboden.
Verbiedt God werkelijk iedere afbeelding? Of wordt het Tweede Gebod vaak anders uitgelegd dan het eigenlijk bedoeld is?
Ik wil die vraag niet beantwoorden vanuit protestantse, rooms-katholieke of orthodoxe tradities. Ik wil ook niet beginnen bij eeuwenlange kerkelijke discussies. Ik wil beginnen waar iedere Bijbelstudie hoort te beginnen: bij de tekst zelf.
Wat verbiedt het tweede gebod werkelijk?
4 U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. 5 U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
— Exodus 20:4-6 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Wie vluchtig leest, kan gemakkelijk concluderen dat God simpelweg zegt: “Maak geen afbeelding.” Maar de tekst stopt daar niet.
In het Hebreeuws verwijzen de voornaamwoorden in vers 5 — “zich daarvoor neerbuigen” en “die dienen” — rechtstreeks terug naar de gesneden beelden uit vers 4. De twee verzen vormen grammaticaal één doorlopende gedachte. Vers 5 begint geen nieuw onderwerp; het bouwt voort op wat zojuist is gezegd.
Wat je eigenlijk leest is dit:
"U zult voor uzelf geen gesneden beeld maken... U zult zich daarvoor niet neerbuigen en die niet dienen."
Niet:
Verbod 1: Maak geen beelden.
Verbod 2: Buig niet voor beelden.
Het Hebreeuws vormt één vloeiende zin, zonder nieuwe inleiding zoals ‘verder‘, ‘daarnaast‘ of ‘ook‘. Het is daarom gevaarlijk om de eerste helft los te knippen van de tweede. De tekst zelf houdt beide grammaticaal bij elkaar. Bovendien weten we dat het Bijbels Hebreeuws oorspronkelijk geen leestekens of vers-indeling kende, maar als een doorlopende tekst werd geschreven.
Dat wordt nog duidelijker als je de context erbij betrekt. Het Tweede Gebod staat namelijk direct na het Eerste:
Eerste gebod: U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Het onderwerp is vanaf het begin niet kunst of beeldhouwkunst, maar de verering van God of andere goden. Vers 5 is geen vrijblijvende toevoeging — het verduidelijkt waar het werkelijk om gaat: het maken van beelden in een context van neerbuigen, dienen en religieuze verering. Denk aan knielen, kussen, bidden enzovoort.
Spreekt God Zichzelf tegen in het Tweede Gebod?
Als vers 4 op zichzelf zou staan, ontstaat er een serieus probleem. Want slechts enkele hoofdstukken later geeft God Zelf opdracht om afbeeldingen te maken!
Dan blijven er maar twee mogelijkheden over:
Óf God heeft Zijn eigen Tweede Gebod overtreden.
Óf wij lezen het Tweede Gebod anders dan Hij het bedoeld heeft.
Laten we daarom kijken naar wat de Bijbel vervolgens zelf vertelt, want nog geen vijf hoofdstukken na het geven van het Tweede Gebod zegt God tegen Mozes:
Vervolgens moet u twee cherubs van goud maken...
— Exodus 25:18-22 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Dat is opmerkelijk. God verbiedt in Exodus 20 afbeeldingen van wat in de hemel is — en beveelt vervolgens Zelf twee cherubs te maken. Cherubs zijn immers hemelwezens.
Daar blijft het niet bij. God geeft ook opdracht om cherubs in de voorhangsels van de tabernakel te weven (Exodus 26:1,31). Mozes ontvangt niet slechts enkele losse opdrachten, maar het volledige ontwerp van de tabernakel — inclusief de symboliek en de artistieke vormgeving ervan (Exodus 25-31). De tabernakel is geen menselijk ontwerp waaraan later religieuze kunst is toegevoegd. Zij is ontworpen volgens Gods eigen aanwijzingen.
Eeuwen later zien we precies hetzelfde terug in de tempel van Salomo:
- Het Allerheiligste bevat opnieuw twee enorme cherubs (1 Koningen 6:23-28)
- De muren worden versierd met uitgehouwen cherubs, palmbomen en open bloemen (1 Koningen 6:29)
- De deuren bevatten cherubs, palmbomen en bloemen (1 Koningen 6:32,35)
- Het grote koperen bekken rust op twaalf runderen (1 Koningen 7:25)
- De verrijdbare onderstellen zijn versierd met leeuwen, runderen en cherubs (1 Koningen 7:29,36)
Dat zijn geen uitzonderingen op het Tweede Gebod. Zij laten juist zien dat het Tweede Gebod nooit bedoeld kan zijn als een absoluut verbod op iedere afbeelding. Het zijn door God gekozen afbeeldingen die deel uitmaken van de plaats waar Israël Hem ontmoette. Ze werden echter niet aanbeden. Ze maakten deel uit van de symbolische vormgeving van Gods heiligdom.
Als Exodus 20 een absoluut verbod zou zijn op iedere afbeelding, zou God Zichzelf hebben tegengesproken — en dat sluit de Schrift zelf uit. We kunnen de ene tekst niet negeren ten gunste van de andere. We zullen beide serieus moeten nemen.
Het gouden kalf als afbeelding van God
Maar dan dringt zich een nieuwe vraag op. Als God Zelf cherubs, runderen en bloemen in Zijn heiligdom liet maken — waarom was het gouden kalf dan wél verboden? Het stelt toch óók een rund voor? Was dat niet ook gewoon een artistieke keuze?
Het antwoord ligt in wat Israël met het kalf deed.
Israël vroeg aan Aäron om goden te maken die vóór hen uit zouden gaan. Nadat Aäron het kalf had gemaakt, riep het volk: “Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte omhoog hebben geleid.” Vervolgens bouwde Aäron een altaar en kondigde hij aan: “Morgen is er een feest voor de HEERE.”
Veel wijst erop dat het kalf zo een zichtbare representatie werd in de verering van de HEERE Zelf — en vervolgens werd het aanbeden. Dat is precies wat het Tweede Gebod verbiedt.
En dáár lag het probleem. Niet het beeld op zichzelf — maar het feit dat het beeld diende als object van aanbidding.
Waarom was dat zo ernstig? Mozes geeft daar later zelf antwoord op in Deuteronomium 4, waar hij terugblikt op de Sinaï en het Tweede Gebod opnieuw uitlegt. Opvallend genoeg voegt hij daar een argument toe dat in Exodus 20 niet expliciet wordt genoemd:
En de HEERE sprak tot u vanuit het midden van het vuur; het geluid van de woorden hoorde u, maar een gestalte zag u niet, er was alleen een stem.
— Deuteronomium 4:12 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
En even verderop:
15 U moet, omwille van uw leven, zeer op uw hoede zijn – u hebt immers geen enkele gestalte gezien op de dag dat de HEERE bij de Horeb tot u sprak vanuit het midden van het vuur – 16 dat u niet verderfelijk handelt en voor u een beeld maakt, de afbeelding van enig afgodsbeeld, de vorm van een man of vrouw...19 ...en u laat verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te dienen...
— Deuteronomium 4:15-16,19 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Zie ook: Jesaja 40:18; 44:9-20; 46:5-7.
Mozes zegt niet: “Maak geen beeld, omdat kunst verkeerd is.” Hij zegt: jullie zagen geen gestalte van God. God openbaarde Zich niet in een zichtbare vorm, maar door Zijn stem. Israël mocht daarom geen zichtbare representatie van Hem maken om die vervolgens te aanbidden — niet omdat God tegen kunst zou zijn, maar omdat geen enkel beeld Zijn wezen kan weergeven, laat staan vervangen. God laat Zich niet vangen in een beeld. Juist daarom openbaarde Hij Zich op de Sinaï door Zijn stem en niet door een zichtbare gestalte.
Stel je voor dat jij en je partner samen op de bank zitten. In plaats van tegen jou te praten, praat je partner tegen een foto van jou alsof die foto jou werkelijk vertegenwoordigt — terwijl jij gewoon naast hem zit. Dat voelt absurd. Toch is dat precies wat een afbeelding van God uiteindelijk doet: zij doet alsof de Onzichtbare Zich laat vangen in iets zichtbaars.
Dat sluit naadloos aan bij wat we zojuist zagen. God had immers geen enkel bezwaar tegen cherubs, palmbomen, bloemen, leeuwen of runderen in Zijn heiligdom. Die werden gemaakt — maar niet aanbeden. Wat het gouden kalf onderscheidt, is niet het materiaal of de vorm. Het is de knieval ervoor.
De koperen slang: bewijst Numeri 21 de betekenis van het Tweede Gebod?
Een ander sterk voorbeeld is de koperen slang. Tijdens de woestijnreis werden de Israëlieten gebeten door giftige slangen. God gaf Mozes een opmerkelijke opdracht:
8 En de HEERE zei tegen Mozes: Maak u een gifslang en zet hem op een staak. Het zal gebeuren dat ieder die gebeten is, in leven zal blijven, als hij daarnaar kijkt. 9 Toen maakte Mozes een koperen slang en zette hem op de staak. En het gebeurde als de slang iemand beet dat hij naar de koperen slang keek en in leven bleef.
— Numeri 21:8-9 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
God gaf dus Zelf opdracht een afbeelding te maken. De Israëlieten moesten er zelfs naar kijken om in leven te blijven. Dat alleen al laat zien dat het Tweede Gebod onmogelijk een absoluut verbod kan zijn op iedere afbeelding.
Maar het verhaal eindigt daar niet.
Eeuwen later lezen we over koning Hizkia:
Hij nam de offerhoogten weg, sloeg de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om. Hij verbrijzelde ook de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de Israëlieten er tot die tijd toe reukoffers aan gebracht hadden; men noemde hem Nehustan.
— 2 Koningen 18:4 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Let goed op wat hier gebeurt. Hizkia vernietigde de slang niet omdat Mozes verkeerd had gehandeld. Integendeel — Mozes had precies gedaan wat God hem had opgedragen. Het probleem ontstond pas eeuwen later, toen het volk het door God gegeven symbool was gaan vereren. Zij brandden er wierook voor. Een voorwerp dat ooit door God was ingesteld, was een object van religieuze verering geworden.
Daarom moest het verdwijnen.
Niet het bestaan van het voorwerp werd veroordeeld. De religieuze verering ervan werd veroordeeld.
De kern van het Tweede Gebod
Als we alle gegevens naast elkaar leggen, ontstaat een veel completer beeld.
De voorbeelden laten zien dat het Tweede Gebod onmogelijk bedoeld kan zijn als een absoluut verbod op iedere afbeelding. Dat kan eenvoudigweg niet de betekenis zijn — want Hij gaf Zelf opdracht om gouden cherubs te maken, cherubs in de tabernakel te weven, een koperen slang op te richten en later een tempel te bouwen vol artistieke afbeeldingen.
Tegelijkertijd neemt God het gevaar van beelden uiterst serieus. Steeds wanneer een beeld een object wordt om voor neer te buigen, te dienen of religieuze eer te bewijzen, grijpt God in. Dat is precies wat er met de koperen slang gebeurde.
En dat brengt ons terug bij Exodus 20. Het Tweede Gebod wordt vaak samengevat als: “U zult voor uzelf geen gesneden beeld maken…” Maar dat is niet waar de tekst ophoudt. God vervolgt direct: “U zult zich daarvoor niet neerbuigen en die niet dienen.” Dáár ligt de kern van het gebod.
Diezelfde lijn zien we terug bij Paulus in Romeinen 1. Hij zegt niet dat mensen God letterlijk vervangen. Hij zegt dat zij ‘de heerlijkheid’ van de onvergankelijke God verruilen voor afbeeldingen van vergankelijke mensen, vogels, viervoetige dieren en kruipende dieren. Dat is precies wat er gebeurt wanneer mensen Gods heerlijkheid proberen te vangen in een afbeelding. Zij reduceert de onzichtbare heerlijkheid van God tot iets wat door mensenhanden gemaakt is. Dat is precies wat Paulus veroordeelt. Niet het bestaan van afbeeldingen, maar het verruilen van Gods heerlijkheid voor iets wat door mensenhanden gemaakt is.
Betekent dit dan dat christenen vandaag geen afbeeldingen van God of van Jezus mogen maken?
Het Nieuwe Testament geeft daarop geen expliciet antwoord. In het Oude Testament was het maken van een zichtbare representatie van God verboden in de context van de Sinaï-openbaring (“u hebt geen gestalte gezien”). In het Nieuwe Testament is God werkelijk zichtbaar geworden in Christus.
Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping.
— Kolossenzen 1:15 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Dat verandert de situatie enigszins. Tegelijk geeft het Nieuwe Testament geen opdracht om Hem af te beelden, noch een verbod daarop. Toch blijft iedere afbeelding slechts een schaduw. Geen schilderij, icoon of beeld kan Zijn heerlijkheid bevatten of Hem weergeven zoals Hij werkelijk is. De blijvende grens die de Schrift wél trekt, is dat geen enkele afbeelding ooit een plaats mag innemen in onze verering of aanbidding. Zodra een afbeelding meer wordt dan een herinnering, herhaalt de geschiedenis van het gouden kalf en de koperen slang zich. God zoekt geen mensen die zich voor beelden neerbuigen, maar mensen die Hem aanbidden in geest en waarheid.
Het Tweede Gebod is daarom geen verbod op creativiteit. Het is een verbod op afgoderij. Niet het maken van beelden werd veroordeeld. De knieval ervoor wel.