Tienden: als geloof op automatische incasso staat [2]

T

Wat het Nieuwe Testament werkelijk zegt over geven — Deel 2


Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.
— 2 Korintiërs 9:7 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Geven onder het Nieuwe Verbond

Van verplicht percentage naar vrijgevig hart

In deel 1: Tienden: als geloof ineens op automatische incasso staat [1] onderzochten we hoe oudtestamentische verzen over tienden vaak worden losgerukt uit hun context en ingezet als fundament voor een verplicht systeem — en waarom dat fundament niet stevig is. Nu verschuift de aandacht naar het Nieuwe Testament. Want ook daar zegt men veel over geven. Heel veel. Alleen op een fundamenteel andere manier dan vaak wordt gesuggereerd.

Paulus schrijft in de tweede brief aan Korintiërs:

6 En dit zeg ik: Wie karig zaait, zal ook karig oogsten; en wie zegenrijk zaait, zal ook zegenrijk oogsten.
7 Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.
2 Korintiërs 9:6-7 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Drie dingen vallen op:

  • ‘Naar wat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen’ — dit is een individuele, persoonlijke beslissing. Geen vastgesteld percentage, geen collectieve verplichting.
  • ‘Niet met tegenzin of uit dwang’ — Paulus sluit dwang expliciet uit als motivatie voor geven.
  • ‘God heeft een blijmoedige gever lief’ — het gaat om de gezindheid van het hart, niet om het bedrag op de overschrijving.

Als iemand geeft omdat hij anders een vloek verwacht, of sociale druk voelt, of bang is voor Gods ongenoegen — dan is dat precies wat Paulus hier afwijst. En eerlijk gezegd: hoeveel mensen geven tienden in de kerk omdat ze bang zijn? Bang voor wat de pastor zal denken. Bang voor wat God zal doen. Bang dat de zegen uitblijft als ze het niet doen. Een gemeente die geeft uit angst, geeft niet uit geloof. En wat niet uit geloof is, is zonde (Romeinen 14:23).

Jezus zelf prees niet de rijken die grote bedragen in de tempelschatkist wierpen, maar een arme weduwe die twee kleine muntjes gaf — alles wat ze had (Lukas 21:1-4). Haar gave was niet groot in bedrag, maar in offer en toewijding. Jezus keek niet naar het getal. Hij keek naar het hart.

En dat is nou precies het punt. Een systeem dat zegt: ‘tien procent, anders ben je een rover van God’ — dat systeem kijkt naar het getal. Het meet. Het controleert. Het veroordeelt. Maar Jezus keek naar een vrouw die twee muntjes gaf en zei: zij heeft meer gegeven dan alle anderen.

Hoeveel procent was dat? Alles wat ze had niet als nieuw financieel model voor iedere christen, maar als spiegel van wat voor Jezus werkelijk gewicht had: het hart achter het bedrag.

En toch blijven er een aantal passages over waar vrijwel iedere discussie over tienden uiteindelijk naartoe terugkeert. Teksten die vaak worden gebruikt om het oudtestamentische systeem alsnog het Nieuwe Verbond binnen te smokkelen. Laten we daarom eens kijken naar wat er daadwerkelijk gezegd wordt — en tegen wie.

De tempelbelasting: zelfs de zonen betalen niet

Er is een moment in het evangelie van Mattheüs dat bijna terloops voorbijgaat, maar bij nader inzien een theologische bom is: Mattheüs 17:24-27. Jezus en Petrus komen aan in Kapernaüm. De belastingontvangers spreken Petrus aan: betaalt jullie meester de tempelbelasting?

Even context: de tempelbelasting was een jaarlijkse heffing van twee drachmen (ongeveer twee daglonen), die iedere volwassen Joodse man vanaf twintig jaar moest betalen voor het onderhoud van de tempel. De oorsprong lag in Exodus 30:13-16, waar God bij een volkstelling opdroeg een halve sjekel (halve dagloon) te geven als ‘losgeld voor het leven’.

In Exodus was dit verbonden aan een specifieke census, niet expliciet ingesteld als jaarlijkse tempelbelasting. Tegen de tijd van Jezus was deze contextgebonden gave echter uitgegroeid tot een vaste religieuze verplichting. De Schrift geeft nergens expliciet opdracht om deze heffing jaarlijks te innen — en toch was het systeem volledig genormaliseerd geraakt.

Men zou kunnen aanvoeren dat God bij iedere volkstelling opnieuw een halve sjekel verlangde. Maar opmerkelijk genoeg lezen we dat nergens expliciet terug bij latere tellingen in de Schrift.

Eenmalig…maar de traditie had er een jaarlijkse verplichting van gemaakt — ingeburgerd, vanzelfsprekend, religieus genormaliseerd.

Klinkt dat bekend?

Petrus zegt impulsief: ja, Hij betaalt. Maar wanneer hij binnengaat, is Jezus hem voor:

25 Hij zei: Jawel. En toen hij in huis gekomen was, was Jezus hem voor en zei: Wat denkt u, Simon? De koningen van de aarde, van wie ontvangen zij tol of belasting, van hun zonen of van vreemden? 26 Petrus zei tegen Hem: Van vreemden. Jezus zei tegen hem: Dan zijn de zonen dus vrijgesteld. 27 Maar om hun geen aanstoot te geven: ga naar de zee, werp een vishaak uit, en pak de eerste vis die bovenkomt. Doe zijn bek open en u zult een stater vinden. Neem die en geef hem aan hen voor Mij en voor u.
— Mattheüs 17:25-27 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Velen lezen hier snel overheen terwijl dit een belangrijk detail is. Jezus stelt hier expliciet dat de zonen van de Koning geen belasting verschuldigd zijn aan hun eigen Vader. De logica is simpel en onomkeerbaar: je betaalt belasting aan iemand buiten jouw familie, niet aan je eigen vader. Als God je Vader is, en jij zijn kind — dan sta je niet in de positie van een vreemdeling die moet betalen.

Vervolgens doet Jezus iets veelzeggends: Hij betaalt toch, maar niet omdat Hij verplicht is. Hij betaalt om geen aanstoot te geven. Dat is een belangrijk onderscheid.

Persoonlijk geloof ik dat 'de aanstoot' hier te maken heeft met de aard van de tempelbelasting zelf — het was geen terugkerend gebod van God, maar een menselijke traditie die mensen als wet waren gaan hanteren. Jezus was het er in wezen niet mee eens. Maar Hij was geboren onder de wet om de wet te vervullen (Galaten 4:4-5) — en als mensen iets als wet ervaarden, zou openlijk verzet daartegen Zijn bediening schaden en mensen van Hem vervreemden. Dus koos Hij wijsheid boven principieel verzet. Niet omdat de verplichting legitiem was, maar omdat de mensen er nog niet klaar voor waren om dat onderscheid te zien. Met dat in gedachten krijgen Jezus’ woorden over menselijke overleveringen die het Woord van God buiten werking stellen ineens veel meer diepte, buitenom wat we al lezen in Markus zelf. (Markus 7:13)

En hoe betaalt Jezus? Dat laat Hij miraculeus verschaffen — via een munt in de bek van een vis.

Denk daar even over na! Jezus had het geld ook gewoon kunnen meenemen. Hij had Petrus de schatkist kunnen laten halen. Maar hij laat het op een bovennatuurlijke manier komen — alsof hij wil zeggen:

Ik participeer in jullie systeem, maar ik zit er niet in gevangen. Ik sta er boven.

Dat de zonen vrij zijn, raakt ons direct. Als je in Christus gelooft, ben je een kind van God, de Koning der koningen — niet omdat je iets verdiend hebt, maar puur door genade. Galaten zegt het zo:

Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus.
— Galaten 4:7 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Nou denk je wellicht ‘tempelbelasting of tienden zijn toch wel hele verschillende dingen. Het is appels met peren vergelijken’.

Natuurlijk spreekt Jezus hier direct over tempelbelasting en niet expliciet over tienden. Maar het principe dat Hij introduceert — ‘de zonen zijn vrij’ — werpt wel degelijk een groter licht op de vraag hoe religieuze verwachtingen, in dit geval heffingen, functioneren binnen het Nieuwe Verbond. Daarom is deze uitspraak zo opvallend. Zelfs bij een religieuze heffing die verbonden was aan Gods heiligdom, introduceert Jezus een principe van zoonschap en vrijheid. Het is daarom moeilijk voorstelbaar dat hetzelfde Nieuwe Testament vervolgens stilzwijgend een veel omvangrijker economisch oudtestamentisch systeem als bindende norm aan de gemeente zou opleggen — zonder dat ooit expliciet te zeggen.

Dit is geen eenmalige opmerking van Jezus. Het is een patroon dat door het hele evangelie heen klinkt. ‘Als de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn’ (Johannes 8:36). ‘Mijn juk is zacht en Mijn last is licht’ (Mattheüs 11:30 ). Jezus bekritiseert leiders die ‘zware lasten bijeenbinden en die op de schouders van de mensen leggen’ (Mattheüs 23:4). Paulus bouwt daar rechtstreeks op voort: ‘Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer een slavenjuk opleggen’ (Galaten 5:1).

Het patroon is consistent. Jezus beweegt consequent van verplichting naar vrijheid, van slavendienst naar zoonschap, van last naar genade.

Daarom hangt het argument hier niet af van de vraag of tempelbelasting en tienden exact hetzelfde zijn. Dat zijn ze niet — en dat hoeft ook niet. Het punt is groter. Overal waar religie verandert in een systeem van lasten, verplichtingen en transacties, introduceert Jezus het principe van zoonschap en vrijheid.

Als dat werkelijk het karakter van het Nieuwe Verbond is — en het evangelie laat daar weinig ruimte voor twijfel over — dan verschuift de bewijslast volledig. Dan is de vraag niet langer óf christenen tienden moeten geven, maar waar het Nieuwe Testament deze verplichting ooit ondubbelzinnig aan de gemeente oplegt.

Het antwoord op die vraag is veelzeggend. Want als je het Nieuwe Testament doorzoekt op een ondubbelzinnige verplichting voor christenen om tienden te geven, kom je niet uit bij een apostolisch gebod. Je komt uit bij dille, munt en komijn.

Kruidentienden: Dille, munt en komijn geen blauwdruk

Jezus spreekt een Farizeeër aan met de volgende woorden:

23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het belangrijkste van de Wet na: het recht, en de barmhartigheid en het geloof. Deze dingen zou men moeten doen en die andere dingen niet nalaten. 24 Blinde leiders, die de mug uitzift maar de kameel doorslikt.
— Mattheüs 23:23
(HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Klinkt op het eerste gezicht inderdaad als een bevestiging van tienden. Maar wat men er gemakshalve niet bij vertelt:

🧔Jezus spreekt hier tegen Farizeeën. 
⚖️ Onder de wet. (Onder die wet was het geven van tienden van de oogst verplicht.)
✝️ Vóór het kruis.
📖 Gebruik van imperfectum (edei): Deze specifieke grammaticale constructie laat volgens twee bekende geleerden in Bijbel Grieks, William D. Mounce en Daniel B. Wallace zien, dat Jezus over verplichtingen spreekt binnen het toen nog geldende systeem van de Wet. 1

Het Nieuwe Verbond was nog niet bevestigd. Jezus was nog niet gestorven en opgestaan. De Mozaïsche wet was nog volledig van kracht — en de Farizeeën leefden en ademden die wet. Jezus spreekt hen aan binnen het systeem waarvan zij zelf beweerden de verdedigers te zijn.

We moeten bovendien beseffen dat Jezus ‘onder de wet’ geboren werd (Galaten 4:4). Johannes de Doper eveneens. Het Koninkrijk van God werd vanaf Johannes aangekondigd als een soort overgangsfase (Lukas 16:16), maar wel een fase waarin Jezus de wet nog moest vervullen om ons ervan vrij te kopen (Galaten 4:5). Hij kon daarom niet wetteloos gaan handelen of Farizeeën aansporen de wet volledig los te laten.

Dat zien we voortdurend terug in de evangelieën. Jezus werd op de achtste dag besneden volgens de wet van Mozes (Lukas 2:21). Maria en Jozef brachten bovendien de voorgeschreven offers volgens de wet (Lukas 22:24). Later stuurde Jezus genezen melaatsen naar de priesters om het offer te brengen dat Mozes had voorgeschreven (Mattheüs 8:4; Leviticus 14). Hij vierde de feesten van Israël en onderwierp Zich zelfs aan de tempelbelasting, hoewel Hij tegelijk verklaarde dat ‘de zonen vrij zijn’ (Mattheüs 17:24-27). De volledige bevestiging van het Nieuwe Verbond zou pas volgen door Zijn dood en opstanding (Hebreeën 9:15-17).

De kruidentiende is daarom geen theologische les over welke onderdelen van de wet blijven en welke verdwijnen. Dit is een aanklacht. Jezus confronteert mensen die de wet selectief gebruiken — de kleine, zichtbare verplichtingen keurig nakomen, terwijl ze het hart van de wet volledig negeren.

En dat is precies waarop Jakobus 2 mikt:

Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.
— Jakobus 2:10 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

De wet is nooit een buffet geweest. Je kiest niet wat je neemt. En juist daarom is het zo veelzeggend wat Jezus vervolgens zegt. Want als je de wet al houdt, maar ondertussen het gewicht van de wet mist, dan heb je iets fundamenteels misverstaan. Recht. Barmhartigheid. Trouw. Dat weegt zwaarder, zegt Jezus zelf. Niet het nauwgezet afmeten van keukenkruiden!

Jezus ontmantelt hier hun hypocrisie — jullie gebruiken religieuze nauwkeurigheid om geestelijke leegte te verbergen. Maar Jezus laat het hier niet bij. In Markus 7:13 snijdt hij hetzelfde patroon aan — en ditmaal nog scherper:

Jullie verklaren dat iets 'korban' is — een gave aan God — en daarmee hoeven jullie je vader of moeder niet meer te helpen. Zo stellen jullie het woord van God buiten werking door jullie eigen traditie.
— Markus 7:9-13 (parafrase)

Korban was een religieuze praktijk waarbij iemand zijn bezit of geld officieel aan God kon opdragen. Klinkt vroom. Maar het effect was cynisch: zodra iets ‘korban’ was verklaard, kon je weigeren je eigen ouders financieel te helpen. Het geld was immers al voor God bestemd. Jezus noemt dat het Woord van God buiten werking stellen.

Herken je het patroon? Het is in beide gevallen identiek:
🎭 Een religieuze verplichting wordt correct nagekomen.
💔 Maar de mens naast je wordt aan zijn lot overgelaten.
🛡️ En dat wordt gerechtvaardigd met een vroom argument.

Bij de Farizeeën in Mattheüs 23: 'Ik geef netjes tienden van mijn keukenkruiden.'
Bij Korban in Markus 7: 'Het geld is al voor God bestemd.'

In menig kerk vandaag: ‘God eist tien procent — of je daarna nog genoeg overhoudt om van te leven is jouw probleem.’

Mattheüs 23:23 is geen blauwdruk voor tienden. Het is een spiegel die Jezus voor het gezicht van religieuze prestatiegerichtheid houdt. En Markus 7 is dezelfde spiegel — alleen nog ongemakkelijker.

Een ander gedeelte dat vaak wordt aangehaald om tienden te rechtvaardigen is Hebreeën 7. Daar ben ik in Deel 1 Tienden: als geloof ineens op automatische incasso staat [1] — al uitvoerig op ingegaan. Ik nodig je uit dit te lezen.

De vroege kerk: geen percentage in zicht

We springen even naar Handelingen 2 en 4. De eerste gemeente net na Pinksteren. De Heilige Geest is uitgestort, mensen zijn tot geloof gekomen, en er ontstaat iets wat je niet kunt organiseren of afdwingen:

44 En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk; 45 en zij verkochten hun bezittingen en eigendommen en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had. 
— Handelingen 2:44-45 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

En even later in Handelingen 4:

32 En de menigte van hen die geloofden, was één van hart en één van ziel; en niemand zei dat iets van wat hij bezat, van hemzelf was, maar alles hadden zij gemeenschappelijk. 33 En de apostelen legden met grote kracht getuigenis af van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.
34 Want er was ook niemand onder hen die gebrek leed; want allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten die en brachten de opbrengst van het verkochte en legden die aan de voeten van de apostelen.
35 En aan ieder werd uitgedeeld naar dat men nodig had. 36 En Joses, die door de apostelen ook Barnabas genoemd werd (wat vertaald betekent: een zoon van vertroosting), een Leviet, afkomstig uit Cyprus,
37 had een akker, verkocht die en bracht het geld en legde het aan de voeten van de apostelen.

— Handelingen 4:32-37 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Er staat geen woord over tien procent. Er staat geen woord over een vast percentage.

Wat er wél staat: mensen waren zo diep geraakt door wat God had gedaan, dat delen vanzelfsprekend werd. Barnabas verkoopt een stuk grond en legt het geld aan de voeten van de apostelen. Niet een vastgesteld percentage, maar een heel stuk grond, vrijwillig en vanuit overtuiging.

Was dat verplicht? Nee. Petrus zegt dat expliciet wanneer Ananias en Saffira betrapt worden op bedrog in Handelingen 5. Ze hadden ook een stuk grond verkocht maar hielden een deel achter — en logen erover. Petrus zegt in vers 4:

Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en toen het verkocht was, bleef de opbrengst dan niet tot uw beschikking? Waarom toch hebt u deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.
Handelingen 5:4 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)

Met andere woorden: niemand had hen gedwongen te geven. De zonde was niet dat ze minder gaven. De zonde was dat ze logen over wat ze gaven.

De vrijheid om te geven wat je wilt was er — maar de integriteit van het hart was het criterium.

Dat is het nieuwe verbondsmodel. Geen percentage. Geen dwang. Geen administratie die bijhoudt of jij jouw tien procent hebt afgedragen. Geen systeem dat jouw geestelijkheid afmeet aan een percentage. Maar wel een gemeenschap waar het hart zichtbaar is in wat je doet — en waar leugen over je eigen motieven ernstiger wordt genomen dan het bedrag zelf.

Dat vraagt om iets diepers dan simpelweg tien procent afdragen. Niet minder — maar meer van het hart.

Want tien procent kun je betalen met een koud hart. Farizeeën waren daar meesterlijk in! Je kunt netjes je tiende overmaken terwijl je je buurman haat, terwijl je de arme in je gemeente negeert, terwijl je leeft voor jezelf. Het systeem is tevreden. De administratie klopt.

Maar God kijkt niet naar de administratie. Hij kijkt naar Ananias en Saffira — en het probleem was niet het bedrag. Het was het hart.

Maar wat dan? Geven we gewoon niks?

Dit is het moment waarop de leiders nerveus worden. Want als tienden geen verplichting zijn, gaan mensen dan gewoon stoppen met geven? Stort de kerk dan in? Kunnen voorgangers dan niet meer leven van het evangelie?

Laten we helder zijn: het antwoord op een vervallen systeem is niet ‘stop met geven’.

Paulus zegt in 1 Korintiërs 9:14 dat wie het evangelie verkondigt, ook van het evangelie mag leven. Geven is bijbels. Maar de vraag is: vanuit welk motief, en vanuit welk principe?

Dáár zit het hele verschil:

• Een kind dat zijn vader een cadeau geeft omdat hij hem liefheeft.
• Een medewerker die zijn werkgever betaalt omdat het in het contract staat.

Dezelfde handeling.
Een compleet andere relatie.

Het Nieuwe Testament nodigt ons uit tot het eerste. Geef omdat je geraakt bent door genade. Geef omdat je ziet wat er gedaan wordt met wat je geeft. Geef omdat je onderdeel wilt zijn van wat God doet in de wereld. Geef royaal — misschien zelfs meer dan tien procent, als dat past bij wat je hebt ontvangen en begrepen. Geef zonder schuldgevoel, zonder angst voor een vloek. Geef altijd naar de mate van jouw geloof met een dankbaar en blij hart.

Niet iedereen geeft vanuit hetzelfde seizoen, dezelfde draagkracht of hetzelfde begrip. Dankbaarheid is daarom variabel. En dat is geen zwakte — dat is de logica van genade.

Wat als tienden vrijwillig worden genoemd?

Laat één ding duidelijk zijn: dit artikel zegt niet dat een christen geen tien procent mág geven. Als iemand vanuit dankbaarheid, discipline of persoonlijke overtuiging besluit een vast deel van zijn inkomen apart te zetten voor Gods Koninkrijk, is daar niets mis mee. Het probleem ontstaat pas wanneer een vrijwillige keuze verandert in een geestelijke norm voor iedereen.

Vaak hoor je dan een middenweg: 'Tienden zijn niet verplicht… maar tien procent is wel een goed minimum.'

Alleen ontstaat daar meteen een probleem. Want zodra een percentage als geestelijke ondergrens wordt gepresenteerd, is de wet via de achterdeur gewoon weer terug.

Tienden bestonden inderdaad vóór de wet — maar besnijdenis, dieroffers en altaren ook. De vraag is niet óf iets ooit bestond, maar of het onder het Nieuwe Verbond als norm aan de gemeente wordt opgelegd. Het Nieuwe Testament doet dat nergens. In plaats daarvan verschuift de nadruk naar vrijwillige, door de Geest geleide vrijgevigheid (2 Korinthe 9:7).

Abraham gaf één keer vrijwillig van de buit van een oorlog. Jakob deed een voorwaardelijke gelofte. Geen van beide vormt een universeel gebod voor de gemeente.

'Niet verplicht, maar wel het minimum' klinkt daarom vaak geestelijker dan het werkelijk is. In de praktijk is het meestal gewoon een zachtere manier om de wet opnieuw binnen te brengen door een geestelijke ondergrens voor een ieder in te stellen.

Dat lijkt misschien slechts terminologie — maar woorden vormen uiteindelijk wel hoe mensen God begrijpen. En aan het woord ‘tienden’ hangt een heel wettistisch raamwerk vast. Wil iemand vrijwillig tien procent geven aan zijn gemeente? Prima. Maar noem het dan niet ‘de tienden’ alsof het nog steeds een normatief systeem voor christenen is. Noem het een persoonlijke keuze of een vrijwillige kerkbijdrage. Woorden doen ertoe — zeker voor nieuwe gelovigen die nog niet weten wat onder het Oude Verbond viel en wat niet.

Het Nieuwe Verbond werkt namelijk niet met verplichte percentages, maar met harten die vrij geworden zijn.

Waar worden tienden nu aan besteed?

Dit is de vraag die niemand hardop stelt: ‘Waar gaat het geld naartoe?’ Ik zeg niet dat iedere kerk zich hier schuldig aan maakt. Er zijn zat kerken die een jaarbalans met specificatie aan hun leden tonen, zodat ze weten wat er met het geld gedaan wordt.

In het Oude Testament was de bestemming van de tienden glashelder en wettelijk verankerd; Levieten, feestmaal en de armen. Het was geen blanco cheque voor de religieuze leiders. Het was een gestructureerd herverdelings-mechanisme ten behoeve van de hele gemeenschap.

Als men dus de tiende wil overnemen uit het Oude Testament — dan zou men hem in zijn volledigheid moeten overnemen. Inclusief de bestemming. Inclusief de driejaarlijkse armenreserve. Inclusief de feesttienden voor de hele gemeenschap.

Maar dat deel van het systeem hoort men zelden terug in de prediking over tienden. Men neemt vooral het deel over waarin gegeven móét worden, maar veel minder het deel waarin nauwkeurig wordt vastgelegd en getoond wordt, waar het naartoe hoort te gaan.

Waarom veranderen verplichte tienden het godsbeeld?

Je vraagt je misschien af: waarom is dit zo belangrijk? Is het niet gewoon een kwestie van kerkbeleid? Doet het er echt toe of je tien procent geeft uit wet of uit liefde, zolang het geld maar aankomt?

Het doet ertoe. Enorm!

Omdat de manier waarop je geeft iets verraadt over de manier waarop je de relatie met God begrijpt. Als jij denkt dat je tien procent moet betalen om Gods zegen te verdienen, of om zijn vloek te ontlopen — dan leef je nog steeds in de logica van het Oude Verbond.

Dan is God voor jou nog steeds primair een rechter die gepaaid moet worden, in plaats van een Vader die je liefheeft.

En dat heeft gevolgen — niet alleen voor hoe je geeft, maar voor hoe je bidt, hoe je leeft, hoe je omgaat met tegenslag, en hoe je andere gelovigen beoordeelt (voor wat hoort wat). Dat wettische denken doorsijpelt jouw interactie met God en je naaste.

Bovendien: wanneer tienden worden gepredikt als wet, met Maleachi als stok achter de deur en zegen als wortel voor de neus, wordt geven een transactie. Maleachi wordt zo geen profeet meer, maar een incassomedewerker — geestelijke transactielogica met bijbelteksten als kassabon.

Hiermee wordt God een distributeur van zegen die je kunt activeren met de juiste overschrijving. Dat is geen bijbels godsbeeld. 

De vrijheid van het Nieuwe Verbond is echter niet bedoeld om tevens gierigheid te rechtvaardigen. Ze is bedoeld om mensen te bevrijden van een systeem dat hen in angst houdt — zodat ze kunnen geven vanuit het enige motief dat God werkelijk beweegt:

Een hart dat begrijpt hoeveel het vergeven is!

Christus en de vervulling van de schaduw

De schaduw was nooit het doel. Ze was altijd slechts een aanwijzing — een tijdelijke, contextuele weerspiegeling van iets wat groter was. De wet was, zoals Paulus schrijft in Galaten 3:24, een paidagogos — een begeleider die ons naar Christus bracht. Maar nu Christus er is, lopen we niet meer met de begeleider mee. We lopen met Christus, de auteur en voleinder van ons geloof.

Tienden in het Oude Testament wezen vooruit naar een gemeenschap die zo diep verbonden zou zijn met God en met elkaar, dat geven geen last meer is maar een vreugde. Een gemeenschap die niet geeft uit vrees voor een vloek of om een religieuze verplichting af te vinken, maar uit overvloed van een hart dat begrepen heeft wat genade betekent.

  • Abraham gaf omdat hij dankbaar was. Niet omdat het moest.
  • De weduwe gaf alles wat ze had zonder dwang.
  • Christenen waren één van hart en één van ziel en deelden in alles gemeenschappelijk.
  • Jezus betaalde de tempelbelasting niet omdat hij verplicht was — maar om geen struikelblok te zijn voor anderen. En zelfs dat geld liet Hij bovennatuurlijk verschaffen — als stille verklaring dat hij boven het systeem stond.

En Paulus? Die vroeg om blijmoedige gevers. Mensen die vanuit hun hart beslissen. Mensen die niet rekenen, maar geven. Mensen die niet bang zijn, maar vrij. Dat is de uitnodiging van het Nieuwe Verbond. Niet de schaduw volgen, maar omhoogkijken — naar de Persoon die hem ooit wierp, en die allang verder is gelopen.

En als jullie na het lezen van dit artikel toch nog denken dat christenen onder het oudtestamentische tiendensysteem vallen, dan zie ik jullie volgende week wel — samen met mijn geit en een mandje vol met kruiden.

Loading spinner

Voetnoten

  1. Imperfectum (ἔδει / edei): Dit woord staat in imperfectum oftwel onvoltooid verleden tijd. Met de andere werkwoorden eromheen vormt de uitspraak een specifieke grammaticale constructie. Volgens de gezaghebbende Bijbel-Grieks taalgeleerden William D. Mounce (2019, p. 191) en Daniel B. Wallace (1996, p. 552) zien we dat Jezus over verplichtingen spreekt binnen het toen nog geldende historische systeem van de Wet. Mounce bevestigt dat het imperfectum de lezer onherroepelijk mee terugneemt naar een handeling in het verleden, terwijl Wallace deze specifieke vorm categoriseert als het ‘Imperfect of Unfulfilled Obligation’: een verplichting die gold in het verleden, maar waarvan de status door de veranderde nieuwtestamentische realiteit inmiddels is afgelopen of aangepast.

    ¹ William D. Mounce, Basics of Biblical Greek (2019), 191; Daniel B. Wallace, Greek Grammar Beyond the Basics (1996), 552.

    Voor Daniel B. Wallace (Syntaxis / Betekenis):
    Wallace, Daniel B. Greek Grammar Beyond the Basics: An Exegetical Syntax of the New Testament. Grand Rapids, MI: Zondervan, 1996 (zie specifiek het hoofdstuk “The Imperfect Tense”, subcategorie “Imperfect with Verbs of Obligation, Wish, or Desire”, pp. 551–553).

    Voor William D. Mounce (Basisgrammatica / Tijd):
    Mounce, William D. Basics of Biblical Greek Grammar. 4e ed. Grand Rapids, MI: Zondervan, 2019 (zie specifiek Hoofdstuk 21, “Imperfect Indicative”, pp. 190–198). ↩︎

Over de schrijver

profielfoto schrijver
Joanna O.

Schrijft over God kennen — niet als concept, maar als ontmoeting.

profielfoto schrijver Door Joanna O.

Categorieën

Archieven

profielfoto schrijver

Joanna O.

Schrijft over God kennen — niet als concept, maar als ontmoeting.

Index