Waarschuwing van de Apostel

W

Het herstel van Paulus’ oorspronkelijke boodschap in zijn eerste brief aan Timotheüs

Inleiding

Dit artikel is het boekje welke oorspronkelijk in het Engels is geschreven door Bob Edwards en door mij vertaald naar het Nederlands. Met toestemming van de auteur, die het ook gratis beschikbaar stelt op zijn blog awakedeborah.com, kunt u het hieronder gratis lezen. Het boek is daarnaast verkrijgbaar via Amazon. Alle bijbelteksten komen uit © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017.

De eerste brief van de apostel Paulus aan Timotheüs is een dringende waarschuwing tegen een vorm van valse leer die zijn weg vond naar de kerkgemeenschap van Efeze in Klein-Azië.

Paulus waarschuwt specifiek tegen valse leraren, die zich hebben toegewijd aan verzinsels en eindeloze geslachtsregisters ( 1 Timotheüs 1:3-4 ). Zij beweerden leraren van de wet te zijn, maar hadden geen kennis van hetgeen zij verkondigden ( 1 Timotheüs 1:7). Zij onderwezen een ascetische leer welke het lichaam met zijn passies belasterde; volgers moesten zich onthouden van het huwelijk en het eten van bepaald voedsel ( 1 Timotheüs 4:3). Paulus bestempelt deze leer als demonisch ( 1 Timotheüs 4:1), en moedigt Timotheüs aan om het evangelie te beschermen tegen tegenstrijdigheden, welke ten onrechte ‘gnosis’ (kennis) genoemd worden ( 1 Timotheüs 6:20).

Paulus verbiedt ook een ‘vrouw’ les te geven of zich bezig te houden met iets wat hij benoemde als authentein (αὐθεντεῖν) tegen een man (1 Timotheüs 2:12). Samen met dit verbod haalt Paulus de redding van vrouwen aan door kinderen te baren (1 Timotheüs 2:1), en reflecteert hij kort op het verhaal van de schepping en de zondeval (1 Timotheüs 2:13-14).

De betekenis van authentein

Sinds Erasmus in de 16e eeuw zijn Grieks-Latijnse Bijbel samenstelde, wordt onder het woord authentein ‘autoriteit uitoefenen’ verstaan. In het licht van deze vertaling lijkt het alsof de apostel verbiedt dat ‘een vrouw de man onderwijst of autoriteit over hem uitoefent’. Erasmus gebruikte de Latijnse uitdrukking ‘auctoritatum’. Ter ondersteuning van zijn vertaling benutte hij daarvoor Jeromes Latijnse Vulgaat van de 4e eeuw. Jerome vertaalde het woord authentein in het Latijnse woord ‘dominari’. Dit kan ‘domineren’ of ‘heerschappij uitoefenen’ betekenen. Erasmus’ bijbel werd de basis voor de eerste Engelse vertaling van 1 Timotheüs 2:12 als een verbod op vrouwelijk gezag. (Wilshire, 2010, p. 77)1

Als wij de brief van Paulus juist willen begrijpen, geloof ik dat er een belangrijke vraag gesteld moet worden: ‘Weerspiegelen de vertalingen van Jerome en Erasmus nog wel de betekenis die Paulus oorspronkelijk bedoelde toen hij aan Timotheüs schreef dat hij authentein verbood?’ Eerlijk gezegd geloof ik van niet. Om te begrijpen wat dit woord voor de apostel Paulus betekende, is het naar mijn mening nuttig de Schriftteksten te onderzoeken waaruit hij in zijn brieven citeerde; namelijk de Griekse Septuaginta. (cf. Marlowe, 2012)2

Authentein in de Septuaginta en Griekse literatuur

In de Septuaginta wordteen zelfstandig naamwoordsvorm gebruikt van authentein in de volgende passage:

Ook hen die vroeger in uw heilige land woonden, hebt U gehaat vanwege hun afschuwelijke praktijken: toverij en goddeloze rituelen, de meedogenloze slachting van kinderen en kannibalistische maaltijden van mensenvlees en -bloed. U, o God, hebt besloten deze ouders te verdelgen, die met hun eigen handen hun weerloze kinderen vermoordden, en gebruikte onze voorouders om uw oordeel aan hen te voltrekken.

(Boek der Wijsheid, 12:3-6, vertaling uit The Inclusive Bible, 2007)3

De ouders in deze passage, die hun kinderen vermoorden in goddeloze ceremonies gericht aan valse goden, worden ‘authentas’ genoemd (αὐθέντας).

Een Griekse geschiedkundige uit de tweede eeuw v.Chr., genaamd Polybius, gebruikt ook een zelfstandig naamwoordsvorm van het woord authentein. Terwijl de Septuaginta de meervoudsvorm ‘authentas’ gebruikt, benut Polybius de enkelvoudsvorm ‘authenten’ (αὐθέντην). Hij gebruikt deze vorm in verwijzing naar een man genaamd Cassander. In het volgende verslag blijkt Cassander degene te zijn die verantwoordelijk is voor een gebeurtenis die bekend staat als ‘het bloedbad van Moronea’:

Na een paar dagen, toen de Thraciërs klaargestoomd waren en 's nachts door Kassandros de stad waren binnengeleid, vond er een groot bloedbad plaats, waarbij veel burgers omkwamen...Filippus was zeer verbaasd hierover, en na lang aarzelen zei hij dat hij Cassander, de auteur van de daad (αὐθέντην), zou sturen, zoals zij zeiden, opdat de senaat de waarheid van hem te weten zou komen. 

(Polybius; zoals geciteerd in Walbank en Habicht, 2012, pp. 427-428)4

Zowel in de Septuaginta als in Polybius’ historiografie verwijzen de zelfstandig naamwoordsvormen van authentein naar personen die gewelddadige misdaden tegen anderen plegen. Soortgelijk gebruik van dit woord is ook te vinden in de Griekse literatuur uit de tijd van het Nieuwe Testament. Diodorus Siculus, die in de eerste eeuw voor Christus schreef, gebruikte het woord bij drie verschillende gelegenheden om te verwijzen naar ‘daders van heiligschennis,’ ‘daders van misdaden,’ of ‘aanhangers van gewelddadige acties.’ Flavius Josephus, die in de eerste eeuw na Christus schreef, gebruikte de term tweemaal om te verwijzen naar: ‘pleger van een misdaad’ en ‘plegers van een slachting.’ In dezelfde periode gebruikte Philo Judaeus de term één keer in de betekenis van ‘zijn eigen moordenaar zijn’. (Wilshire, 2010, p. 28)5. In een geschrift uit de 2e eeuw na Christus definieerde een Griekse grammaticus genaamd Valerius Harpocration, een vorm van dit woord als ‘een persoon die de moord op iemand bewerkstelligt door het gebruik van anderen’ (Wilshire, 2010, p. 23).6

Waarom zou Paulus zo’n typisch gewelddadig woord gebruiken in zijn brief aan Timotheüs?  In 32 andere gevallen in het Nieuwe Testament, wanneer Paulus het heeft over ‘gezag’, gebruikt hij de term ‘exousia’. Hij gebruikt authentein slechts één keer (Trombley, 2003, p. 198).7 Werden er in of rond Efeze inderdaad gewelddadige misdaden of rituelen uitgevoerd ter verering van valse goden of godinnen, zoals het Boek der Wijsheid beschrijft? Historisch gezien is het antwoord op deze vraag een eenduidig ‘ja’.

Artemis, Cybele en ritueel geweld

In Handelingen hoofdstuk 19 wordt ons verteld dat godin Artemis een van de belangrijkste goden was die in Efeze werden aanbeden. In de tweede eeuw na Christus getuigde een schrijver met de naam Tatianus van de voortdurende verering van Artemis via de rituele slachting van mensen:

Daarom, na deze dingen te hebben gezien en bovendien te zijn toegelaten tot de mysteriën, en na overal de religieuze rituelen te hebben onderzocht die door de verwijfden en de catamieten werden uitgevoerd, en na bij de Romeinen hun Latiarische Jupiter te hebben gevonden die zich verlustigde in menselijk bloed en het bloed van geslachte mensen, en Artemis niet ver van de grote stad die daden van dezelfde soort goedkeurde, en de ene demoon hier en de andere daar aanzette tot het begaan van kwaad… 

(Tatianus, Oratio ad Graecos, Hoofdstuk XXIX)8

Historicus Lewis Farnell (1977) legt uit dat de verering van Artemis in Klein-Azië lang geassocieerd werd met ritueel geweld, waaronder mensenoffers:

Bovendien spreekt de legende van de Taurische godin (Artemis) veel over mensenoffers, en we mogen geloven dat dit ritueel daadwerkelijk werd beoefend in de plaats die de oorspronkelijke zetel van de cultus was. 

(p. 440)9

Farnell legt ook uit dat de verering van Artemis in Efeze verband hield met legenden over een stam van oorlogszuchtige vrouwen die bekend stonden als de ‘Amazones’ (1977, p. 482).10 Deze stam, die oorspronkelijk uit Klein-Azië kwam, kende haar godin onder de naam ‘Cybele’. Farnell vertelt ons dat toen Griekse immigranten in Efeze begonnen te arriveren, zij aan een van hun eigen godheden de naam Cybele gaven:

We kunnen concluderen dat de vroege Griekse kolonisten van het land van Efeze, net als die van Kreta, daar de verering van een inheemse godin hadden gevestigd, op wie zij de naam en enkele titels van de Griekse Artemis toepasten; en dat het karakter van de Efezische en Kretenzische godin identiek was aan of nauwe verwantschap vertoonde met dat van Cybele. 

(1977, p. 482)11

Een historicus uit de eerste eeuw voor Christus, Pompeius Trogus, schreef ook over de Amazones; hij richtte zich specifiek op hun gewoonte, geweld te gebruiken tegen mannen:

[De vrouwen] verwierpen elke gedachte aan een huwelijk met hun buren, ze noemden het slavernij in plaats van een huwelijk. In plaats daarvan begonnen zij aan een onderneming die haar weerga in de geschiedenis niet kende, namelijk het opbouwen van een staat zonder mannen en deze vervolgens zelf te verdedigen, uit minachting voor het mannelijke geslacht... Toen hun militair succes de vrede verzekerde, gingen ze seksuele relaties aan met de omringende volkeren, zodat hun lijn niet zou uitsterven. Jongetjes die uit zulke verbintenissen geboren werden, werden ter dood gebracht, maar meisjes voedden ze op op een manier die hen aan hun eigen levenswijze aanpaste… Nadat ze het grootste deel van Europa hadden veroverd, namen ze ook een aantal stadstaten in Azië in. Hier stichtten zij Efeze. 

(Trogus; zoals geciteerd in Yardley, 1994, p. 29)12

Een andere historicus uit deze periode, Diodorus Siculus, gaf een soortgelijk commentaar:

Aan de oever van de rivier Thermadon heerste derhalve een vrouwelijk volk, waar vrouwen net als mannen de oorlogskunst nastreefden....  Aan de mannen delegeerde zij (de koningin van het volk) het spinnen van wol en andere huishoudelijke taken die gewoonlijk door vrouwen werden verricht. Zij vaardigde wetten uit waardoor zij de vrouwen tot krijgsgevechten aanzette, terwijl zij de mannen vernederde en tot slaaf maakteZe verminkte de armen en benen van mannelijke kinderen, waardoor ze onbruikbaar werden voor dienst in de oorlog. 

(zoals geciteerd in Murphy, 1989, p. 58)13

De ‘minachting voor het mannelijk geslacht’ van deze cultuur wordt weerspiegeld in hun spirituele mythologie. Historicus John Ferguson legt uit:

De bekendste naam van de Aziatische moeder in de Romeinse wereld was Cybele, en aan haar zijn de (volgende) mythen verbonden. In Pessinus werd het verhaal verteld hoe de Grote Moeder lag te slapen in de vorm van een rots. Zeus probeerde haar te verkrachten, maar morste zijn zaad op de grond. Toch baarde zij, die de grond is, tegen haar wil een kind, een biseksueel monster genaamd Agdistis. Dionysos nam zich voor dit wezen te temmen door het te bedwelmen met wijn en zijn mannelijke geslachtsorganen aan een boom vast te binden, zodat het bij het ontwaken zichzelf castreerde. Uit het bloed spoot een amandelboom (of in sommige versies een granaatappelboom). De dochter van de riviergod Sangarius plukte daar vruchten van en legde die in haar schoot, welke haar zwanger maakten. Haar vader probeerde haar te doden en de baby na de geboorte te vondeling te leggen, maar telkens greep Cybele in, en het kind groeide uit tot de knappe jongen Attis. Cybele werd verliefd op de jongen; we zien hem vaak naast haar troon staan op munten en medaillons uit de tweede of derde eeuw na Christus, of op een fraaie bronzen plaat die zich nu in Berlijn bevindt, of met haar meerijden in haar door leeuwen getrokken strijdwagen, weer op munten of op de prachtige schotel (patera) uit Parabiago in Milaan, waarop zij worden omringd door zon, maan, aarde en zee, tijd en de seizoenen.  Hun liefde was gedoemd. De godin betrapte Attis op ontrouw en dreef hem tot waanzin, zodat hij zich onder een pijnboom castreerde en doodbloedde. Maar dit is niet het einde; in de Romeinse ceremonies werd het rouwfeest (tristia) gevolgd door een feest van vreugde (hilaria). Het oude jaar is dood, maar het nieuwe jaar leeft en Attis herrijst. 

(1970, pp. 25-26)14

In deze mythologie wordt de vrouwelijke Cybele afgebeeld als levengevend en zuiver. De mannelijke goden Zeus en Attis zijn de veroorzakers van seksuele zonden. Attis wordt betrapt op een daad van seksuele ontrouw. Hij doet hiervoor boete door zichzelf te castreren. Hij sterft als gevolg van deze daad en wordt daardoor bevrijd van de beperkingen van ‘het vlees’; daarna staat hij weer op, nu gezuiverd van zijn mannelijke seksualiteit.

Nieuwe priesters van de godin Cybele speelden deze mythologie jaarlijks na in een ritueel van zelf-emasculatie:

Op de dag van het bloed (24 maart) in rouw om Attis, geselden en castreerden de cultuspriesters zichzelf en renden trots door de straten met hun bloederige geslachtsdelen, die zij uiteindelijk in een huis gooiden. Het geëerde huishouden was vervolgens verplicht de gecastreerde priesters te voorzien van vrouwenkleding en sieraden, die zij de rest van hun leven zouden dragen. Veel toeschouwers, gevangen in de intense emotionaliteit van de gebeurtenis, de uitzinnige muziek van cimbalen en trommels, en de aanblik van stromend bloed, volgden het voorbeeld van de priesters en castreerden zichzelf. Deze dag van verdriet en onherroepelijke opoffering werd gevolgd door de dag van vreugde, de Hilaria, waarop de wederopstanding van Attis werd gevierd. 

(Favazza 2011, p. 159)15

Door afstand te doen van hun mannelijkheid, konden deze mannen door de godin geaccepteerd worden als haar woordvoerders. Naar verluidt raakten zij na het ritueel in een trance-achtige toestand en vertelden zij de toekomst van mensen voor geld. Romeinen die hiervan getuige waren noemden de priesters ‘vertolkers van het goddelijk woord’ (Favazza, 2011, p. 160).16 Naast het ondergaan van rituele castratie en het mijden van het huwelijk, onthielden deze mannen zich ook van bepaald voedsel. Vrouwelijke aanbidders keken naar Cybele als de godin die hen zou redden als ze problemen hadden bij de bevalling. (Farnell, 1977, p. 444)17

Deze religieuze sekte in Klein-Azië bezat een aantal kenmerken van de valse leraren waar Paulus Timotheüs voor moest waarschuwen. De aanhangers van deze sekte mochten niet trouwen en moesten zich onthouden van bepaald voedsel. Hun verwerping van het lichaam door rituele castratie zou hen in staat stellen speciale kennis (gnosis) te ontvangen van hun godin, die werd voorgesteld door een afgod. Hun praktijken waren geworteld in de mythologie, en elders in het Nieuwe Testament verwijst Paulus naar afgoderij als demonisch ( 1 Korintiërs 10:20-21). Vrouwen die deze godin aanbaden, deden dit in de hoop dat zij gered zouden worden bij het baren van kinderen (cf. 1 Timotheüs 2:15).  Het matriarchale seksisme van deze mythologie staat in schril contrast met het door Paulus geciteerde scheppingsverslag uit Genesis, waarin Adam ook een bron van leven is, en Eva een rol speelt in de val van de mensheid (cf. 1 Timotheüs 2:13-14).

Castratie in de Romeinse wereld

Was rituele castratie ter ere van de moedergodin een gangbare praktijk toen de apostel Paulus zijn eerste brief aan Timotheüs schreef? Ja, in feite was dat zo. Een grondig onderzoek van de beschikbare literatuur toont aan dat deze vorm van ritueel geweld tegen mannen in het gehele Romeinse Rijk bekend was vanaf de 3e eeuw v.Chr., toen Cybele formeel werd erkend als een godin van de staat, althans tot in de tijd van keizer Julianus (361 n.Chr.), die het jaarlijkse ritueel prees en het een ‘heilige en onuitsprekelijke oogst’ noemde (Julianus, Oratio V, 168D (geciteerd in Henig, 1984, p. 97)).18

Gedurende enige tijd heeft Rome geprobeerd de praktijk van genitale verminking te verbieden in een wet die de Lex Cornelia de Sicariis et Venificis werd genoemd:

De relevante wetten die het maken van eunuchen verbieden, zijn opgenomen in de Lex Cornelia over moordenaars en gifmengers; een wet die in de eerste plaats bedoeld is om moord met opzettelijk en voorbedachten rade te bestraffen...  De grenzen van de wet breiden zich echter ook uit tot... Joden die iemand besnijden die geen andere Jood is. Volgens deze redenering is genitale verminking een soort moord; het staat in de ogen van de wet gelijk met handelingen die opzettelijk worden verricht met de bedoeling de dood van een mens te veroorzaken, ook al is het de bedoeling dat het slachtoffer de ingreep overleeft. De wet heeft duidelijk betrekking op zowel vrijwillige als onvrijwillige castratie en biedt dus tegen dit specifieke lichamelijke letsel een ongebruikelijk sterke bescherming die niet geldt voor andere amputaties. Het is zelfs mogelijk om strenger te worden gestraft voor het vrijwillig laten castreren van jezelf dan voor het per ongeluk doden van een andere persoon. 

(Jones-Lewis, 2015)19

Een grondig overzicht van de pogingen van Rome om wetgeving op te stellen tegen castratie en besnijdenis van niet-joden in en rond de tijd van het Nieuwe Testament is te vinden in het boek van Elizabeth Wyner Mark, getiteld ‘The Covenant of Circumcision: New Perspectives on an Ancient Jewish Rite.’ 20 Ik zou deze bron willen aanbevelen aan iedereen die geïnteresseerd is in verdere lezing over dit onderwerp.

Ondanks een wettelijk verbod op castratie vinden we bewijs dat de priesters van Cybele deze praktijk voortzetten:

Twee andere historische anekdotes uit de late 2e en vroege 1e eeuw voor Christus betreffen: het ondubbelzinnige bewijs voor castratie ter ere van de Magna Mater (Cybele) en de Romeinse reactie daarop. In 101 voor Christus castreerde een slaaf van een zekere Servilius Caepio zichzelf in dienst van de Mater Idaea; als gevolg daarvan werd hij uit Rome verbannen en werd hem verboden ooit nog terug te keren.

Op zichzelf hoeft dit niet te duiden op een totale veroordeling van de cultus, want verbanning was een betrekkelijk milde straf voor een slaaf.  De tweede anekdote is veelzeggender; in 77 voor Christus ontving een slaaf genaamd Genucius een erfenis van een vrijgelatene genaamd Naevius Anius. Genucius, een priester van de Magna Mater, was een eunuch en zijn erfenis werd hem uiteindelijk geweigerd op grond van het feit dat hij man noch vrouw was. Bovendien mocht Genucius niet eens zijn eigen zaak bepleiten, opdat het hof niet zou worden verontreinigd door zijn obscene aanwezigheid en corrupte stem. Valerius Maximus, die het incident beschrijft, versterkt zijn relaas met een sterke toon van morele veroordeling, de eerste dergelijke veroordeling die wij in Rome aantreffen van de eunuch Galli. De Romeinse goedkeuring van de godin strekte zich niet uit tot haar eunuchpriesters. (Roller, 1999, p. 292)21

Zou het door Paulus gebruikte woord authentein een verwijzing kunnen zijn naar het rituele geweld van castratie? Om het bewijs dat we zojuist hebben onderzocht samen te vatten, bestond deze praktijk al heel lang in de geschiedenis van het Romeinse Rijk en ging zelfs door toen het wettelijk verboden was. We zien ook dat castratie door de Romeinse wet gelijkgesteld werd met de ‘misdaad’ van ‘moord’, zelfs als het slachtoffer/de dader het overleefde. De lezer herinnert zich wellicht dat authentein in de Griekse literatuur uit de tijd van de apostel Paulus kon betekenen: ‘iemands eigen moordenaar’, ‘de dader van een slachting’, ‘de pleger van een misdaad’, ‘iemand die gewelddadige actie ondersteunde’, of ‘iemand die de moord op iemand bewerkstelligde door het gebruik van anderen’.  De lezer zal zich ook herinneren dat de apostel Paulus waarschuwde tegen de valse leer van de ascese, en dat in Efeze rituele castratie werd beoefend door een ascetische cultus die de godin Cybele aanbad, door de Grieken Artemis genoemd.  Als de ascese en het ritueel geweld verbonden met Cybele/Artemis-verering de vroege kerk in Klein-Azië begon binnen te dringen, dan kan het rituele geweld van castratie inderdaad datgene zijn waar Paulus naar verwees toen hij authentein verbood.

De Essenen en Paulus’ waarschuwing

Alvorens de vroegchristelijke kerk te beïnvloeden, is er overtuigend bewijs dat de ascetische mythologie van Efeze al begonnen was het jodendom te beïnvloeden. Historische verslagen van Philo van Alexandrië, Flavius Josephus en Plinius de Oudere geven aan dat het ascetisme van de Cybele-cultus werd weerspiegeld door de overtuigingen en praktijken van een sekte binnen het Jodendom die bekend stond als de Essenen. De Essenen leefden celibatair, onthielden zich van wijn en machtig voedsel, en geloofden dat hun verloochening van het lichaam en zijn hartstochten hun toegang verschafte tot speciale openbaringskennis (gnosis) van God.  Nadat zij zich hadden onthouden van alle lichamelijke uitspattingen (seks, voedsel en slaap), ontvingen zij wat zij de geheime allegorische betekenis van de Mozaïsche Wet noemden. Zij beweerden ook het vermogen te hebben om de toekomst te voorspellen. Zij beschouwden zichzelf als ‘leraren van de wet’, en zij ondersteunden deze bewering door ‘eindeloze genealogieën’ van hun leiders te traceren, die naar verluidt teruggingen tot het priesterschap van Zadok. (Beall, Cook, Jones; zoals geciteerd in Edwards, 2013)22

De apostel Paulus confronteert deze vorm van ascese niet alleen in zijn eerste brief aan Timotheüs; hij behandelt het ook in zijn brief aan de Kolossenzen. Hij waarschuwt de gemeente van Kolosse (ook in Klein-Azië) om op haar hoede te zijn voor een filosofie die een ‘ruwe behandeling van het lichaam’, ‘de aanbidding van engelen’ en ‘mannelijke besnijdenis’ als voorwaarde voor redding aanmoedigt ( Kolossenzen 2:8-23). Neusner benadrukt dat dit geloofssysteem ‘doet denken aan (de) Essenen’ (1975, p. 297).23

Een inzichtelijk artikel getiteld ‘The Colossian Heresy’24 (De ketterij van de Kolossenzen) dat is geplaatst op de website van ‘Grace Communion International’, identificeert deze filosofie van de Essenen als een vroege vorm van gnosticisme. Het legt uit dat deze visie op het Jodendom werd omarmd door Philo van Alexandrië. Evenzo toont Elizabeth Wyner Mark aan dat Philo Joodse besnijdenis in verband bracht met rituele castratie, en beide beschouwde als symbool van het bereiken van vrijheid van het lichaam en van zijn hartstochten:

In een aantal weinig bekende passages portretteert Philo het bijbelse personage Jozef, doorgaans het voorbeeld van de ideale staatsman, als een eunuch… Deze voorstelling is bijzonder provocerend, omdat in deze gevallen de interpretatie niet voortkomt uit een negatief hermeneutisch spel met de complexiteit van Jozefs karakter, maar er juist op gericht is Jozef af te schilderen als een toonbeeld van zelfbeheersing en onthouding… In zijn geschriften gebruikt Philo consequent dezelfde taal van ‘excisie’ om zowel castratie als besnijdenis te beschrijven als symbolen van de scheiding van ziel en lichaam en van de verwerping van lichamelijkheid... Binnen Philo's Platoniserende kader... biedt castratie, net als besnijdenis, een treffende metafoor voor spirituele vooruitgang. 

(Abusch, 2003, pp. 78–82)25

 Philo schreef zijn commentaren ter ondersteuning van besnijdenis, castratie en een dualistische vorm van ascese in dezelfde periode dat de apostel Paulus zijn waarschuwingen tegen dit geloofssysteem schreef. Philo’s vorm van ascese, gesymboliseerd door rituele besnijdenis of castratie, is misschien precies de vorm van valse leer waar Paulus Timotheüs zo wanhopig voor waarschuwde.

De Naassenen en de oorsprong van het gnosticisme

Een werk uit de 3e eeuw van Hippolytus, getiteld ‘De weerlegging van alle ketterijen’, belicht een ander mogelijk verband tussen de Essenen en Paulus’ waarschuwingen tegen valse leer en authentein. Hippolytus legt uit dat de Essenen verdeeld waren in vier sub-sekten. Een van hen stond bekend als de Secarii; zij kregen deze naam vanwege hun praktijk van het met geweld besnijden van niet-joodse mannen, of het ‘slachten’ van degenen die weigerden te gehoorzamen:

Maar de aanhangers van een andere partij zullen, als zij iemand horen discussiëren over God en zijn wetten - in de veronderstelling dat het een onbesnedene is - hem nauwlettend in de gaten houden, en als zij zo iemand op een willekeurige plaats alleen tegenkomen, dreigen zij hem te doden als hij weigert de rite der besnijdenis te ondergaan.  Welnu, als deze niet aan dit verzoek wil voldoen, spaart een Essene niet, maar slacht hem zelfs af. 

(Hippolytus, Boek IX, Hoofdstuk XXI; zoals geciteerd in Alexander & Donaldson, 2005)26

De lezer zal zich wellicht herinneren dat authentein kan verwijzen naar degenen die een slachting aanrichten.  Het kan ook verwijzen naar ritueel geweld of moord.  Deze vorm van gedwongen besnijdenis van een niet-jood was specifiek verboden volgens de Romeinse Lex Cornelia de Sicariis et Venificis (de wet tegen moordenaars en vergiftigers) waarnaar eerder werd verwezen.

Paulus kan met deze sekte in aanvaring zijn gekomen toen ‘Joden uit Azië’ hem in Jeruzalem wilden doden. Zij waren van plan hem te vermoorden, omdat hij de besnijdenis ontmoedigde en een naar verluidt Efezische niet-Jood in de tempel zou hebben binnengebracht en daarmee de tempel zou hebben ‘verontreinigd’. Als deze groep moordenaars in spe (d.w.z. authentas) niet was onderbroken door de Romeinse ambtenaren, zouden zij Paulus hebben doodgeslagen ( Handelingen 21:27-32 ). 

In mijn boek getiteld ‘Let my people go: A call to end the oppression of women in the church (Rev. and expanded ed.)27 verschaf ik een gedetailleerd overzicht van de duidelijke overeenkomsten tussen de mythologie van Cybele en het geloof en de praktijken van de Essenen. Iedereen die geïnteresseerd is in meer informatie over dit onderwerp kan het daar vinden.

Het belangrijkste is dat Hippolytus aangeeft dat de mythologie van Cybele en Attis, samen met het priesterlijke castratieritueel, de basis vormde voor de gnostische leer in de vroege kerk:

Misschien omdat het in het Grieks geschreven was, of misschien om leerstellige redenen of religieuze politiek, was dit werk van Hippolytus niet bekend in het westelijke deel van het christelijke Middellandse Zeegebied. Boek 5, dat voor ons van bijzonder belang is, werd pas in de 19e eeuw gevonden, op de berg Athos, samen met zes andere boeken. Voor ons is de ‘Weerlegging van alle ketterijen’ een bevoorrechte bron, die onthult wat zich hoogstwaarschijnlijk aan het einde van de 2e eeuw heeft ontwikkeld in termen van toegepast comparativisme. In zijn beschrijving van dwalingen viel Hippolytus' verontwaardigde blik op de Naassenen, een gnostische sekte die haar naam ontleende aan een merkwaardige etymologie, zo zegt hij, waarbij het Hebreeuwse naas (slang) en het Griekse naos (tempel) worden gecombineerd... Het feit dat de Naassenen Attis, de Moeder van de Goden (Cybele) en het ritueel van de galli (het castratieritueel) bevoorrechtten, toont hun duidelijke belangstelling aan voor het metroacritueel van Cybele dat in maart werd gevierd en dat hen klaarblijkelijk bekend was in een Anatolische versie.

(Borgeaud, 2004, p. 102)28

Volgens het geloofssysteem van de Naassenen bevrijdde de castratie van Attis ‘de ziel van de aardse zones, de inferieure gebieden van de schepping’ (Borgeaud, 2004, p. 105).29 Het castratieritueel werd door deze gnostische sekte dan ook gezien als symbolisch voor de spirituele reis die elke christen zogezegd zou moeten ondergaan – de bevrijding van de geest uit de materie. Zo interpreteerden zij Jezus’ kruisiging. Zij zagen het in termen van bevrijding van het lichaam en zijn ‘inferieure’ lusten.

Conclusie: wat bedoelde Paulus met authentein?

Om de beschikbare historische gegevens nog eens samen te vatten: we hebben duidelijk bewijs van ascetische culten in Klein-Azië die de mensen opdroegen zich te onthouden van het huwelijk en van bepaalde soorten voedsel. Zij onderwezen wat de apostel Paulus als valse leer zou hebben bestempeld. Hun geloof en praktijken waren gebaseerd op een mythologie die dualistisch, hiërarchisch en zeer seksistisch was. Sommigen die door deze mythologie werden beïnvloed, beweerden leraren in de wet te zijn. Zij beweerden over geheime kennis (gnosis) te beschikken, en trachtten hun gezag te legitimeren door een beroep te doen op eindeloze genealogieën. Hun dualistische en ascetische spiritualiteit werd gesymboliseerd door rituele castratie of besnijdenis. Soms werd besnijdenis zelfs opgedrongen aan heidenen, onder bedreiging met de dood. De mythologie die aan dit geloofssysteem ten grondslag lag, beïnvloedde de stichting van een gnostische sekte binnen de vroege kerk die bekend stond als de Naassenen. Zij baseerden hun begrip van Jezus’ dood en verrijzenis op de mythe van Attis, wiens castratie jaarlijks werd nagespeeld, ook al was dit onder de Romeinse wet een misdaad die vergeleken kon worden met moord. 

Volgens het Grieks zoals dat voorkomt in de Septuagint en de literatuur uit Paulus’ tijd, kan de waarschuwing van de apostel in 1 Timotheüs 2:12 daarom worden opgevat als een verbod tegen: ‘zelfmoord’, ‘heiligschennis’, ‘het plegen van een misdaad’, ‘het ondersteunen van gewelddadige acties’ of ‘het bewerkstelligen van de moord op iemand door het gebruik van anderen.’  Deze taal zou nauwkeurig daden van zelfverminking door castratie weergeven, naar het voorbeeld van de priesters van Cybele. Het zou een nauwkeurige weerspiegeling zijn van gedwongen besnijdenis van niet-joden door een sub-sekte van de Essenen. Het zou een accurate representatie zijn van de moord op heidenen die zich niet onderwierpen aan gedwongen besnijdenis. Het zou een nauwkeurige weerspiegeling zijn van een nog steeds bestaande praktijk van het slachten van mannen ter verering van Artemis. Het zou ook een juiste weergave zijn van de aanslag op Paulus’ leven door een groep Joden uit Azië, die woedend waren omdat hij genitale besnijdenis voor mannen durfde te ontmoedigen.

Waar waarschuwde de apostel Paulus voor in zijn eerste brief aan Timotheüs?  Het beschikbare bewijsmateriaal ondersteunt sterk de mogelijkheid dat hij waarschuwde tegen een valse leer die dualistisch, ascetisch en gnostisch van aard was. In 1 Timotheüs 2:12 lijkt het erop dat Paulus ‘een vrouw’ specifiek verbood om ‘het geweld tegen een man’ te onderwijzen of te steunen dat gewoonlijk met deze filosofie werd geassocieerd (b.v. castratie, gedwongen besnijdenis, en/of het daadwerkelijk afslachten van mannen). Als Paulus slechts over ‘gezag’ in de kerk sprak, lijkt het aannemelijk dat hij hetzelfde woord zou hebben gebruikt dat hij op nog 32 andere plaatsen in het Nieuwe Testament gebruikte, namelijk ‘exousia’.

Hoe zou deze passage specifiek vertaald kunnen worden? ‘Ik sta niet toe dat een vrouw geweld tegen een man (b.v. genitale verminking, moord) onderwijst of steunt.’ De ascetische leer die in de 1e eeuw na Christus in Klein-Azië gangbaar was, moedigde zowel ritueel geweld als de moord op mannen aan. Het is duidelijk dat er in Efeze ten minste één vrouw was die zich bezighield met deze vorm van onderricht. Haar geslacht zou echter niet de kern van Paulus’ zorg zijn geweest. De valse leer van dualistische ascese—gesymboliseerd door ritueel geweld—was dat zeker wel.

Invloed van de Grieks-Romeinse filosofie

Als we informatie hebben over de betekenis van authentein als een vorm van geweld, hoe en waarom zou de kerk dit woord dan gaan begrijpen als een verbod op vrouwelijke autoriteit’? Inzicht in de verering van Artemis in Efeze, bekeken door de bril van de Grieks-Romeinse culturele normen, kan een aanwijzing bieden. Het Romeinse recht was in het begin van onze jaartelling diep patriarchaal. Evenzo beschouwden veel van de dominante Griekse filosofieën uit die tijd (met name het Platonisme) het leven in dualistische en hiërarchische termen. Toen de christelijke kerk de officiële staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk werd, begonnen het Romeinse recht en de Griekse filosofie een krachtige invloed uit te oefenen op de opkomende theologische tradities. Invloedrijke theologen en bijbelvertalers zoals Origenes, Augustinus, Hiëronymus en later Erasmus gaven allen toe dat zij de bijbelse tekst uitlegden vanuit de neo-Platoonse filosofie. In mijn vorige boek, getiteld ‘A God I’d Like to Meet: Separating the Love of God from Harmful Traditional Beliefs’ 30, geef ik een uitgebreid onderzoek naar hoe deze filosofie heeft bijgedragen aan de opkomst van patriarchale tradities in de kerk.

Door Paulus’ verbod op authentein te bekijken door de bril van een Grieks-Romeins wereldbeeld, lijkt de betekenis ervan te veranderen van een waarschuwing tegen geweld in een verbod op vrouwelijk gezag. In hun boek ‘In Search of Paul’ leggen de auteurs Crossan en Reed (2004) uit dat Rome bezorgd was over de Cybele-aanbidding, niet omdat er ritueel geweld mee gemoeid was, maar eerder omdat het een bedreiging leek te vormen voor de mannelijke autoriteit:

Hoe moeten we het probleem karakteriseren dat Rome had met de Bacchanalia en de cultus van Magna Mater (Romeinse naam voor Cybele)? Voor de Romeinse denkwijze gingen zij de grenzen van de juiste ‘religio’ te buiten en waren daarom ‘superstitio’ (bijgeloof). Met ‘superstitio’ bedoelde de Romein niet iets magisch dat niet te geloven was, maar eerder een ongebreidelde overdaad en oncontroleerbare toewijding aan een of ander persoonlijk gewin, in plaats van keizerlijk. Het ondermijnde de controle van de vader over de familieleden en hun toewijding aan de vader. Het werd gewoonlijk als hysterisch gekarakteriseerd; dat wil zeggen, er waren te veel vrouwen en te veel emoties bij betrokken en het was niet gemakkelijk te beheersen door rijke mannen in de vroegere Republiek of Caesars in het latere keizerrijk. Wat in beide gevallen gevreesd werd was een directe toegang tot de goden door openbaring, een onbelemmerde mogelijkheid om zich met bovennatuurlijke machten te verbinden. 

(p. 255)31

Auteurs Richard en Catherine Clark Kroeger (1992) leggen verder uit dat de rituele castratie die gepaard ging met de verering van Cybele en Artemis van Efeze werd gezien als een directe ondermijning van het mannelijk gezag:

Eén ander aspect van de geslachtsomkering is het vermelden waard. Dit is de omkering die mannen ondergingen die zichzelf castreerden in dienst van de moedergodinnen, met name Cybele, de Syrische godin, en Artemis van Efeze. Rituele castratie werd specifiek ‘het ontnemen van macht’ genoemd. Van hen die hun mannelijkheid hadden opgeofferd, werd gezegd dat zij in vrouwen waren veranderd en daarna als vrouwelijk werden beschouwd. 

(p. 94)32

Vanuit Romeins perspectief werd het rituele geweld tegen mannen dat in verband werd gebracht met de Efezische godinnenmythologie gezien als een usurpatie van mannelijk gezag. Toen Paulus zijn eerste brief aan Timotheüs schreef, schreef hij toen vanuit een Romeins perspectief?  Ik geloof niet dat hij dat deed. Helaas lijkt het er echter op dat zijn woorden eeuwenlang ten onrechte door deze bril zijn geïnterpreteerd.

Slotwoord

In tegenstelling tot de hiërarchische en dualistische filosofie die door Plato en veel van de Latijnse kerkvaders werd aangehangen, stelt Paulus Gods wil voor de mensheid niet voor in termen van een door mannen gedomineerde sociale hiërarchie. Integendeel, hij stelt onomwonden dat Gods wil voor vrouwen en mannen in Christus eenvoudigweg ‘liefde’ is. Aan de vroege kerk in Rome schrijft hij: ‘Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.’ (Romeinen 13:8 HSV)

De discipel van Jezus, Johannes, sluit zich aan bij Paulus in de strijd tegen de ascese en vertelt ons dat de christelijke boodschap van verlossing, die ‘het evangelie’ wordt genoemd, ook is gericht op ‘liefde’. Ons wordt verteld dat ‘God liefde is’ ( 1 Johannes 4:8,16). Ons wordt verteld dat deze God van liefde een mens van vlees en bloed werd, genaamd Jezus ( Johannes 1:1,14). Johannes legt uit dat Jezus aan het kruis stierf om ‘de zonde van de wereld weg te nemen’ ( Johannes 1:29). Wij worden aangemoedigd om te vertrouwen op de liefde die God voor ons heeft, en om geloof te hebben dat de dood en opstanding van Jezus onze zonden wegnemen – zodat wij vergeven worden, zodat wij de liefde van God kennen, en zodat wij eeuwig leven hebben ( Johannes 3:16 , 1 Johannes 4:9-10).  

Hoe beïnvloedt het geloof in de liefde van God, die aan ons bekend is gemaakt in het leven, de dood en de opstanding van Jezus, ons leven? Er wordt ons verteld dat het ons bevrijdt om te leren elkaar lief te hebben, zoals wij door God zijn liefgehad. Wij doen dit met de hulp van de Heilige Geest die in ons komt wonen ( 1 Johannes 4:11-13). Het is Gods Geest die ons helpt ‘nee’ te zeggen tegen verkeerde keuzes, woorden en daden (zonde). Het is het werk van Gods Geest om ons te leren liefhebben zoals wij geliefd zijn. Dit is de boodschap van het evangelie. Dit is wat ons bevrijdt van zonde, dood, schuld, schaamte en eenzaamheid. Dit is het evangelie dat Paulus aan Timotheüs vroeg om te beschermen tegen valse leer in Efeze.

Niets anders dan Gods wonderbaarlijke en liefdevolle tussenkomst kan ons helpen. Ascetische filosofie (b.v. Essenisme, Gnosticisme, Platonisme) kan niet bereiken wat alleen God kan doen. Zij kan de liefde van God alleen maar in de weg staan. Zij kan slechts een armzalige vervanging zijn voor de aanwezigheid en de kracht van Gods Geest in ons leven. Zij kan ons alleen gevangen houden: ‘Pas op dat niemand u als buit meesleept door de filosofie en inhoudsloze verleiding, volgens de overlevering van de mensen, volgens de grondbeginselen van de wereld, maar niet volgens Christus’ (Kolossenzen 2:8, HSV).

Dank U God voor de waarschuwing van Paulus. Ik bid dat U ons oren zult geven om zijn boodschap te horen: ‘Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt’ (Openbaring 3:22, HSV).

Bob & Helga Edwards
Achtergrond Bob Edwards:

Helga en Bob Edwards zijn getrouwd sinds 1988. Zij zijn Canadese therapeuten en publieke sprekers sinds 1996. Beiden hebben een bachelordiploma in godsdienst-onderwijs en sociale ontwikke-lingsstudies, en een masterdiploma in maatschappelijk werk. In 2013 ontvingen zij elk de Delta Epsilon Chi Award voor Intellectuele Prestatie, Christelijk Karakter en Leider-schapskwaliteiten, van de Vereniging voor Bijbels Hoger Onderwijs. Hun hoop is om de gaven en training die God hen gegeven heeft te gebruiken om mensen te helpen vrijheid en heelheid in hun leven te ervaren. Voel je vrij om hun website te bezoeken op awakedeborah (engelstalige site).
Loading spinner

Voetnoten

  1. Wilshire, L. E. (2010). Insight into two biblical passages: Anatomy of a prohibition. University Press of America. ↩︎
  2. Marlowe, M. D. (2012). Some notes on the apostles’ usage of the Septuagint. Bible Research.
    https://www.bible-researcher.com/quote01.html ↩︎
  3. Priests for Equality. (2007). The Inclusive Bible: The First Egalitarian Translation. Sheed & Ward. ↩︎
  4. Polybius. (2010). The histories: Books 1–2 (W. R. Paton, Trans.; F. W. Walbank & C. Habicht, Rev.; Vol. 1). Harvard University Press. ↩︎
  5. Wilshire, L. E. (2010). Insight into two biblical passages: Anatomy of a prohibition. University Press of America. ↩︎
  6. Wilshire, L. E. (2010). Insight into two biblical passages: Anatomy of a prohibition. University Press of America. ↩︎
  7. Trombley, C. (2003). Who said women can’t teach? God’s vision for women in ministry. Bridge-Logos. ↩︎
  8. Tatian. (1885/1994). Oratio ad Graecos (Address to the Greeks; J. E. Ryland, Trans.). In A. Roberts & J. Donaldson (Eds.), Ante-Nicene Fathers (Vol. 2). Hendrickson Publishers. (Origineel werk ca. 170 n.Chr.) [PDF] ↩︎
  9. Farnell, L. R. (1977). The cults of the Greek states (Vol. 2). Caratzas Brothers.Farnell, L. R. (1977). The cults of the Greek states (Vol. 2). Caratzas Brothers. ↩︎
  10. Farnell, L. R. (1977). The cults of the Greek states (Vol. 2). Caratzas Brothers. ↩︎
  11. Farnell, L. R. (1977). The cults of the Greek states (Vol. 2). Caratzas Brothers. ↩︎
  12. Justin. (1994). Epitome of the Philippic history of Pompeius Trogus (J. C. Yardley, Trans.). Scholars Press. ↩︎
  13. Diodorus Siculus. (1989). The antiquities of Asia: A translation with notes of Book II of the Library of History (E. W. Murphy, Trans.). Transaction Publishers. ↩︎
  14. Ferguson, J. (1970). The religions of the Roman Empire. Cornell University Press. ↩︎
  15. Favazza, A. R. (2011). Bodies under siege: Self-mutilation, nonsuicidal self-injury, and body modification in culture and psychiatry (3rd ed.). Johns Hopkins University Press. ↩︎
  16. Favazza, A. R. (2011). Bodies under siege: Self-mutilation, nonsuicidal self-injury, and body modification in culture and psychiatry (3rd ed.). Johns Hopkins University Press. ↩︎
  17. Farnell, L. R. (1977). The cults of the Greek states (Vol. 2). Caratzas Brothers. ↩︎
  18. Henig, M. (1984). Religion in Roman Britain. London: Batsford. ↩︎
  19. Jones-Lewis, M. (2015). The heterosexualized eunuch in the Roman Empire [Conference presentation notes]. ↩︎
  20. Mark, E. W. (Ed.). (2003). The covenant of circumcision: New perspectives on an ancient Jewish rite. Brandeis University Press. ↩︎
  21. Roller, L. E. (1999). In search of God the Mother: The cult of Anatolian Cybele. University of California Press. ↩︎
  22. Edwards, B. (2013). Let my people go: A call to end the oppression of women in the church (Rev. and expanded ed.). CreateSpace Independent Publishing Platform. ↩︎
  23. Neusner, J. (Ed.). (1975). Christianity, Judaism and other Greco-Roman cults: Studies for Morton Smith at sixty: Part one: New Testament (Studies in Judaism in Late Antiquity, Vol. 12). Brill. ↩︎
  24. Grace Communion International. (2002). The Colossian heresy. https://archive.gci.org/articles/the-colossian-heresy/ ↩︎
  25. Abusch, R. (2003). Circumcision and castration in Roman law and culture under the early Empire. In E. W. Mark (Ed.), The covenant of circumcision: New perspectives on an ancient Jewish rite (pp. 75–86). Brandeis University Press. ↩︎
  26. Roberts, A., & Donaldson, J. (Eds.). (2005). Ante-Nicene fathers: Fathers of the third century: Hippolytus, Cyprian, Caius, Novatian, appendix (Vol. 5; A. C. Coxe, Rev.). Wm. B. Eerdmans Publishing Company. ↩︎
  27. Edwards, B. (2013). Let my people go: A call to end the oppression of women in the church (Rev. and expanded ed.). CreateSpace Independent Publishing Platform. ↩︎
  28. Borgeaud, P. (2004). Mother of the gods: From Cybele to the Virgin Mary (L. Hochroth, Trans.). Johns Hopkins University Press. ↩︎
  29. Borgeaud, P. (2004). Mother of the gods: From Cybele to the Virgin Mary (L. Hochroth, Trans.). Johns Hopkins University Press. ↩︎
  30. Edwards, B. (2014). A God I’d like to meet: Separating the love of God from harmful traditional beliefs. CreateSpace Independent Publishing Platform. ↩︎
  31. Crossan, J. D., & Reed, J. L. (2004). In search of Paul: How Jesus’s apostle opposed Rome’s empire with God’s kingdom: A new vision of Paul’s words & world. HarperSanFrancisco. ↩︎
  32. Kroeger, R. C., & Kroeger, C. C. (1992). I suffer not a woman: Rethinking 1 Timothy 2:11–15 in light of ancient evidence. Baker Book House. ↩︎

Over de schrijver

profielfoto schrijver
Joanna O.

Schrijft over God kennen — niet als concept, maar als ontmoeting.

profielfoto schrijver Door Joanna O.

Categorieën

Archieven

profielfoto schrijver

Joanna O.

Schrijft over God kennen — niet als concept, maar als ontmoeting.

Index