Mijn verhaal over verlies, wanhoop en de weg terug naar de hoop die God geeft.

Wanneer alle hoop verdwijnt
De Nederlandse statistieken liegen er niet om. Ieder jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.800 mensen door suïcide — een cijfer waarin euthanasie niet eens is meegeteld. Dat zijn circa 5 mensen per dag. Bijna 300 van hen zijn tussen de 10 en 30 jaar oud! Achter elk van die getallen schuilt geen nummer, maar een naam, een gezicht, een verhaal. Iemand die op een dag wakker werd en geen enkel uitzicht meer had op een volgende dag die de moeite waard leek. Iemand die niet zozeer het leven zelf niet meer wilde, maar de pijn niet langer kon verdragen.
We horen die cijfers vaak en plaatsen ze al snel op afstand: dat gaat over “de wereld”, over mensen die geen hoop hebben, geen God kennen, niets hebben om zich aan vast te houden. Wij als christenen hebben toch hoop? Wij hebben Christus, de Heilige Geest, de belofte dat we meer dan overwinnaars zijn. Zoiets kan ons toch niet overkomen?
Ik dacht dat ook. Tot de dag kwam dat ik zelf, ondanks alles wat ik geloofde en kende van God, geen enkele reden meer zag om nog een dag verder te leven.
Dit deel ik niet om te shockeren, en ook niet om sympathie te oogsten. Ik deel het omdat ik wil dat je begrijpt: zelfs met Christus in je hart, zelfs vervuld met Zijn Geest, kun je op een punt komen waarop je het simpelweg niet meer ziet zitten. Niet het soort “wat een rotdag” waar je de volgende ochtend weer overheen stapt, maar een punt waarop je werkelijk klaar bent — omdat je voor de toekomst geen enkele visie meer hebt.
Kun je als christen je hoop verliezen?
Ik ben altijd gelovig geweest, opgevoed in een christelijk gezin, maar pas rond mijn twintigste kan ik verzekerd zeggen dat ik God ontmoet heb en oprecht bekeerd ben. Sindsdien leerde ik God steeds beter kennen, ik sprak in tongen, werd gedoopt met de Heilige Geest en heb Hem notabene in mijn slaapkamer ontmoet waar Hij tot mij sprak. Dat kan niet iedereen navertellen. Ik zag Zijn wonderen en hoe Hij werkt door mensen heen en door mij.
Toch kwam ik na vele jaren op een punt waarop ik tegen God zei: “Heer, het is klaar. Neem me. Of U doet het of ik doe het, want ik wil het hier niet meer.” Ik kende de tekst dat wij meer dan overwinnaars zijn door Christus. Dat is ook zo! Niet wij hebben het verlossingswerk volbracht, maar Christus. Wij mogen leven vanuit Zijn volbrachte werk. Echter voelde ik me allesbehalve een overwinnaar. Ik voelde me verslagen door mijn omstandigheden, alsof alle hoop uit me weg was geëbd. En dat riep een schrijnende vraag in me op: waar was die levende hoop die God in mij had geplaatst? Was die weg? Was ik Hem kwijt?
Elia verloor ook alle hoop
In die staat herkende ik mezelf in het verhaal van de profeet Elia — een man die vuur uit de hemel liet neerdalen, honderden Baälprofeten trotseerde en zelfs een dode opwekte. En toch: geïntimideerd door de bloeddorstige koningin Izebel vluchtte hij de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en bad: “Heer, het hoeft niet meer. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.” Schuldgevoel, uitputting en een blik die alleen nog naar de dreiging kon kijken — Elia zag het simpelweg niet meer zitten.
Ik ga mezelf niet vergelijken met zijn grootheid: Ik heb geen vuur uit de hemel doen dalen en ik heb ook geen Izebel achter me aan gehad, laat staan een dode opgewekt. Maar het verschil met Elia was op één punt schril: hij zag tenminste nog het vuur uit de hemel neerkomen, ik zag het lichtje aan het einde van de tunnel niet eens meer.
Wanneer alles waarop je bouwde wegvalt
Het begon jaren eerder, met het einde van een relatie van dertien en een half jaar, waarvan we tien jaar getrouwd waren. Ik was christelijk opgevoed met het idee dat een huwelijksverbond voor altijd is en had nooit gedacht dat het zou eindigen. Maar de persoon van wie ik liefde, geborgenheid en veiligheid had verwacht, bewerkte precies het tegenovergestelde. Dat liet diepe sporen na. Zo diep zelfs dat twee onafhankelijke psychologen met vele jaren ertussen vaststelden dat ik er een trauma aan had overgehouden.
Door alles wat er speelde, zowel in mijn huwelijk als de druk op het werk in het onderwijs, raakte ik uiteindelijk in zo’n heftige burn-out dat ik de stekker uit deze relatie heb getrokken. Ik voelde me daar enorm schuldig over — net als Elia zich schuldig voelde over wat hij niet voor elkaar kon krijgen. Ik wist immers hoe God over scheiding denkt.
Het verlies stapelde zich op: ik was niet alleen mijn relatie kwijt, ik was ook mijn werk kwijt. Ik kwam in de ziektewet. Ik was mijn inkomen kwijt — ja, je zit dan wel in de WIA, maar probeer daarvan te leven op de manier waarop je leefde. Ik was ook mijn vrienden kwijt, allemaal uit de kerk. Niemand die zijn arm naar me uitstrekte. Ik neem het ze niet kwalijk, ik geef ze geen schuld, want in die hele pijn en wanhoop isoleerde ik mezelf.
De enige die zijn hand echt uitstrekte, was de herder van de kerk. En zelfs daar ben ik niet naartoe gegaan om met hem te praten, want ik dacht: jij gaat me proberen te overtuigen om te blijven in iets wat al lang gebroken was en waar ik eindelijk de stekker uit heb durven te trekken.
Als je zelf de hoop probeert te herstellen op jouw manier
Zo heb ik mijn eigen plan getrokken. Ik ben er niet mee naar God gegaan voor zover ik het me kan herinneren. Ik dacht: het lukte niet met een christen die vervuld was van de Heilige Geest, dan ga ik het proberen met een ongelovige.
En ik adviseer je om dat niet te doen, mocht je die keuze hebben.
Het duurde ruim een jaar, en toen ben ik in Zwitserland, waar ik acht jaar verbleef, een relatie aangegaan. Maar ook die spatte uiteindelijk als een zeepbel uit elkaar. En ik kreeg een déjà vu: acht jaar later zat ik weer zonder werk, zonder vrienden, zonder familie nota bene, en ook nog eens in een vreemd land.
Waar de eerste relatie mij in een donker gat had geduwd, sloeg deze zo’n krater in mijn hart dat ik ontroostbaar was. Want niet alleen deze relatie was stukgelopen. De oude wonden van mijn eerste huwelijk werden opnieuw opengereten. Het was alsof ik niet alleen het verdriet van dat moment moest dragen, maar ook alles wat ik jaren eerder had meegemaakt. Twee weken lang heb ik bijna alleen maar gehuild, en als ik niet huilde, sliep ik. Ik kreeg wraakgevoelens tegenover mijn partner. Ik dacht: ik ga je pijn doen zoals jij mij pijn hebt gedaan. Dat waren voor mij volkomen onbekende gevoelens, want ik was nog nooit wraakzuchtig geweest tegenover iemand.
Toen ik geen uitweg meer zag
In die hele ellende begonnen er zulke heftige negatieve gedachten in mijn hoofd te komen dat ik ergens wist: dit is niet van God. Natuurlijk niet van God. Maar ze waren ook niet van mij.
De pijn was zo intens en zo overweldigend dat er ineens een gedachte in me opkwam: “Hé Joanna, ga jezelf snijden” Alsof ik daarmee de emotionele pijn vanbinnen kon verdoven. Ik heb het niet gedaan. Ik heb me tegen die gedachte verzet. Maar ergens zat er een bizarre logica achter: hier heb ik tenminste controle over. De pijn in mijn hart kon ik niet stoppen. Maar over lichamelijke pijn, zo leek het, zou ik tenminste zelf kunnen bepalen wanneer die begon en wanneer die ophield.
Er woedde een oorlog in mijn hoofd.
Terwijl ik me tegen die ene gedachte verzette, kwam de volgende als een vloed over me heen: “Kijk eens naar die drie flats daar uit het raam. Als je nou van die hoogste springt, ben je er zo klaar mee. Je problemen zijn in één klap opgelost.”
Pas achteraf zag ik hoe treffend Jesaja het beeld beschrijft van een vijand die als een rivier komt aanzetten:
[...] Als de vijand zal komen als een rivier, zal de Geest van de HEERE de banier tegen hem oprichten.
— Jesaja 59:19 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Het moment dat God kwam
En toen, midden in die stortvloed van destructieve gedachten, kwam God en doorbrak Hij de maalstroom waarin ik gevangen was geraakt.
Heel zacht, ergens op de achtergrond van al die chaotische gedachten, begon de Heilige Geest mij te herinneren aan Mattheüs 4 — aan satan die Jezus verzocht in de woestijn: “Als U de Zoon van God bent, spring naar beneden.” Tussen die stortvloed van donkere gedachten kwam dat ene Schriftwoord steeds verder naar voren, als een lichtbaken in de duisternis. Ineens viel er licht op wat zich tot dan toe in het donker had verscholen.
En ineens wist ik: de enige die mij van dat gebouw af wil laten springen, is satan.
Deze suïcidale gedachten kwamen niet uit mezelf.
En ik heb ze niet geaccepteerd.
Terwijl die herinnering naar boven kwam, kwam God met Zijn levende, gesproken (rhema) Woord. Ik hoorde Gods stem in mijn binnenste. Midden in die hele wirwar van gedachten gaf Hij mij antwoord op een vraag die me al twee weken kwelde. Wat Hij zei, ga ik hier niet delen. Het was zo persoonlijk, zo toegespitst op wat er in mijn hart omging, dat die woorden op dat moment alleen voor mij bestemd waren.
Op dat moment werd het stil.
Alles in mijn gedachten stopte.
Je kon een speld horen vallen.
Ik dacht alleen maar: wauw.
Acht jaar lang was ik lauw geweest. Ik had in mijn relatie met een ongelovige weinig met God gedaan. En nu zat ik hier, op mijn diepste punt — en hier was Hij!
Hij sprak tegen mij!
Ik voelde me nog altijd schuldig over het beëindigen van mijn eerste huwelijk wat die achtjarige lauwheid tot gevolg had. Ik dacht dat Gods roeping voor mijn leven voorbij was. God is boos op mij. Misschien vergeeft Hij me dit niet eens.
Of misschien was ik degene die het mezelf niet kon vergeven.
En tóch sprak Hij.
Achteraf zie ik daarin misschien wel een van de mooiste kanten van Gods karakter. Mijn trouw aan Hem had in die jaren behoorlijk wat steken laten vallen. Die van Hem niet. Paulus schrijft:
Als wij ontrouw zijn, blijft Hij getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.
— 2 Timotheüs 2:13 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Mijn lauwheid had Gods karakter niet veranderd.
Mijn verkeerde keuzes hadden Hem niet minder trouw gemaakt.
Terwijl ik dacht dat ik het bij God misschien voorgoed had verpest, kwam Hij juist op het moment dat ik dreigde te breken en Hem het meest nodig had.
Niet met een verwijt.
Maar met Zijn stem.
Mijn omstandigheden veranderden niet — mijn hoop wel
Hij zette mij vrij.
Ik zat helemaal op slot en Hij opende die deur.
Er kwam vrede.
Er kwam vreugde.
Voor het eerst in twee weken voelde ik me weer ontspannen.
En die depressie? Die was weg. Instantelijk! Ze viel van me af als sneeuw voor de zon.
Ook de wraakgevoelens die ik vanbinnen had, verdwenen. Waar eerst wraak zat, kwam vergeving en liefde. Mijn ex merkte het ook en zei: “Wat is hier gebeurd? Van anderen heb ik altijd haat gekregen, maar ik merk dat jij geen wraak koestert.” Ik kon het ook niet uitleggen. Ik weet nog steeds niet hoe God zoiets doet.
En toen begon ik me af te vragen: hoe kan dit eigenlijk? Ik was mijn hoop kwijtgeraakt omdat alles waarop ik mijn toekomst had gebouwd, voor mijn gevoel was ingestort.
Mijn relatie was verbroken.
Ik zat nog steeds in een vreemd land.
Mijn werk was weg.
Mijn vrienden waren weg.
Mijn familie was ver weg.
Niets van dat alles was ineens hersteld.
De omstandigheden waardoor ik mijn hoop was kwijtgeraakt, waren nog precies hetzelfde — En toch had ik weer hoop. Ik had weer hoop op morgen.
Daar begon ik iets te begrijpen. Blijkbaar was hoop niet hetzelfde als de verwachting dat mijn omstandigheden weer goed zouden komen. Want mijn omstandigheden wáren niet goedgekomen — en toch was de hoop terug.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat God onze omstandigheden niet kan veranderen. Dat kan Hij wel degelijk. Alles is immers mogelijk voor wie gelooft ( Markus 9:23).
Maar hoe kan jouw geloof zich vastgrijpen aan hoop wanneer je zelf niet eens meer denkt dat er iets is om op te hopen? Want als er geen hoop meer is voor morgen, verliest uiteindelijk ook vandaag zijn betekenis en is er niks om voor te geloven. Als iemand geen enkele verwachting meer heeft dat iets mogelijk of bereikbaar is, zal zijn geloof zich daar praktisch ook niet naar uitstrekken. Daarom kan het verlies van hoop geloof verlammen.
Geloof en hoop zijn immers nauw met elkaar verbonden:
Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet.
— Hebreeën 11:1 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
En precies daar begon God — de God van de hoop, zoals Paulus Hem noemt in Romeinen 15:13 — mijn hele begrip van hoop op zijn kop te zetten.
Bij mij greep God op dat moment soeverein in. Maar wat als dat niet gebeurt? Wat als je niet van het ene op het andere moment wordt bevrijd en de wanhoop niet ineens van je afvalt? Hoe krijg je dan het zicht op die hoop terug?
Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst begrijpen wat we eigenlijk bedoelen wanneer we zeggen dat we onze hoop zijn kwijtgeraakt.
Natuurlijke hoop en Bijbelse hoop: wat is het verschil?
Toen ik er later op terugkeek, besefte ik dat wat ik kwijt was geraakt, niet dezelfde hoop was die God mij had gegeven. Het was een natuurlijke hoop.
Natuurlijke hoop bouwt op het onzekere
Natuurlijke hoop is gebaseerd op wat je kunt zien en wat je redelijkerwijs kunt verwachten. Mensen, dingen, geld, je eigen kracht. Je hoopt dat je huwelijk standhoudt omdat je van elkaar houdt. Je hoopt dat je gezond blijft omdat je veel sport en gezond eet, dat je werk houdt, dat je genoeg geld hebt om van te leven, dat mensen bij je blijven en dat morgen ongeveer verdergaat waar vandaag ophield.
Daar is op zichzelf niets verkeerds aan. Het probleem ontstaat wanneer die dingen niet alleen iets worden waarop we hopen, maar het fundament worden waarop onze hoop rust.
En daar zit een belangrijk verschil. Je mag hopen op iets, zonder dat je je hoop erop bouwt.
God waarschuwt ons ervoor ons vertrouwen niet te stellen op het onzekere. Want juist dat kan in een storm zomaar onder je vandaan worden getrokken. Mensen kunnen wegvallen. Een relatie kan breken. Geld kan opraken. Werk kun je verliezen.
En soms gebeurt er niet één ding, maar komt alles tegelijk naar beneden!
Rijkdom
Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn, en hun hoop niet gevestigd houden op de onzekerheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen in rijke mate verschaft om ervan te genieten;
— 1 Timotheüs 6 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Mensen
3 Vertrouw niet op edelen,
op het mensenkind, bij wie geen heil is.
4 Zijn geest gaat uit hem weg, hij keert terug tot zijn aardbodem;
op die dag vergaan zijn plannen.
5 Welzalig is hij die de God van Jakob tot zijn hulp heeft,
die zijn verwachting stelt op de HEERE, zijn God,
— Psalm 146:3-5 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Werk & eigen kracht
17 en dat u dan niet in uw hart zegt: Mijn eigen kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.
18 Maar u moet de HEERE, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is Die u kracht geeft om vermogen te verwerven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag nog is.
— Deuteronomium 8:17–18 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Als de HEERE het huis niet bouwt,
tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;
als de HEERE de stad niet bewaart,
tevergeefs waakt de wachter.
— Psalm 127:1–2 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Weet daarom waar je op bouwt — of beter gezegd: op Wie.
Jezus gebruikt in Mattheüs 7 het beeld van twee huizen. De één hoort Zijn woorden en doet ze; de ander hoort ze en doet ze niet. Zolang de zon schijnt, zie je misschien nauwelijks verschil. Beide hebben muren. Beide hebben een dak. Beide lijken te staan.
Het fundament wordt pas zichtbaar wanneer het gaat stormen.
24 Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
25 en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
26 En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
27 en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.
— Mattheüs 7:24–27 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Mijn storm had blootgelegd hoeveel van mijn verwachting voor de toekomst verbonden was geraakt aan dingen die onzeker waren.
Levende hoop als alles om je heen wankelt
Toch was er iets wat die storm mij niet had afgenomen.
Ik was God niet kwijt.
Ik was Christus niet kwijt — Hij was nog steeds in mijn hart.
Mijn relatie kon verdwijnen.
Mijn werk kon verdwijnen.
Mijn financiële zekerheid kon verdwijnen.
Zelfs het land waarin ik woonde kon veranderen.
Maar Christus was niet verdwenen.
Bij mijn wedergeboorte en de doop met de Heilige Geest, was er iets fundamenteels met mij gebeurd dat niet afhankelijk was van al die dingen. Petrus noemt de hoop waartoe God ons opnieuw geboren heeft een levende hoop:
Hij heeft ons opnieuw geboren doen worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
— 1 Petrus 1:3 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Dat vind ik zo belangrijk: Petrus zegt niet dat wij uit onszelf hoop moeten zien voort te brengen door maar positief genoeg te denken. De oorsprong van deze hoop ligt niet in mij of in mijn veranderlijke omstandigheden, maar in de opstanding van Jezus Christus.
De oorsprong ervan ligt dus niet in mij, maar in Hem. Door de opstanding en niet door mijn omstandigheden die veranderlijk zijn.
Dit maakt ons echter niet passief. Want diezelfde Petrus zegt even verderop: „Vestig uw hoop volkomen op de genade…” (1 Petrus 1:13). Paulus zegt iets vergelijkbaars: „Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn” (Kolossenzen 3:2). Deze verzen lijken misschien tegenstrijdig, maar dat zijn ze niet.
Wij hoeven hoop niet zelf te produceren, maar we moeten haar wél bewust richten.
Blijkbaar doet het ertoe waar onze gedachten voortdurend verblijven. Want als ik voortdurend alleen kijk naar wat ik zie, wat ik voel en wat mijn omstandigheden mij vertellen, is het niet vreemd dat mijn hoop langzaam wordt overschreeuwd.
Waar je naar blijft kijken, krijgt steeds meer gewicht in je hart.
Bijbelse hoop vraagt daarom niet dat we de werkelijkheid ontkennen. Een verlies blijft een verlies. Pijn doet werkelijk pijn. Geloof vraagt niet dat je doet alsof de storm er niet is.
De vraag is alleen: krijgt de storm het laatste woord?
Er is namelijk méér waar dan wat ik op dit moment kan zien.
God is er.
Zijn Woord staat vast.
Zijn karakter is niet veranderd.
Zijn beloften zijn niet minder betrouwbaar geworden omdat mijn omstandigheden dat wel zijn.
Daarom mag ik mijn ziel telkens opnieuw herinneren aan wie God is, wat Hij heeft gedaan en wat Hij heeft beloofd. David deed dat ook. Hij wachtte niet tot zijn gevoelens vanzelf veranderden; hij sprak zijn eigen ziel aan en richtte zijn verwachting opnieuw op God. Niet door zijn eigen positieve gedachten eindeloos tegen zichzelf te herhalen, maar door Gods waarheid tegenover zijn omstandigheden te zetten.
Dat is iets heel anders dan positief denken, want:
Positief denken zegt: het komt vast wel goed.
Bijbelse hoop (levende hoop) zegt: God is betrouwbaar, daarom durf ik mijn verwachting op Hem te richten.
Als mijn omstandigheden niet de oorsprong van mijn hoop waren, konden mijn omstandigheden uiteindelijk ook niet bepalen of die hoop nog bestond.
Maar ze konden mijn zicht erop wél verduisteren. En dat was precies wat er met mij was gebeurd. Ik had zo lang en zo intens gekeken naar alles wat kapot was gegaan, dat het uiteindelijk het enige was wat ik nog zag. De hoop was niet verdwenen. Mijn blik erop was verdwenen. Mijn ogen waren afgedwaald van Jezus Christus — onze hoop. Want Bijbelse hoop is uiteindelijk méér dan alleen de verwachting van wat God in de toekomst zal doen.
Onze hoop is een Persoon: Jezus Christus. En juist omdat Hij leeft, in en door ons, hebben wij een levende hoop.
Paulus, een apostel van Jezus Christus, overeenkomstig het bevel van God, onze Zaligmaker, en van de Heere Jezus Christus, onze hoop...
— 1 Timotheüs 1:1 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
En precies dat was wat God midden in mijn storm deed. Hij kwam naar mij toe en herinnerde mij aan Zijn Woord, aan Zijn goedheid en aan Zijn liefde voor mij en richtte mijn blik opnieuw op Hem.
Niet op wat ik verloren had, maar op Wie ik nooit was kwijtgeraakt.
Hoop als een anker voor de ziel
Hebreeën gebruikt nog een ander beeld voor die hoop:
17 Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed,
18 opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden.
19 Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel.
— Hebreeën 6:17-19 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Een anker heeft weinig nut als het in het schip ligt. Het moet ergens houvast vinden, buiten het schip zelf. Iets wat niet met iedere golf meebeweegt.
En dat is nu juist zo bijzonder aan het anker waar Hebreeën over spreekt. Het ligt niet ergens op de bodem van onze omstandigheden. Het reikt tot achter het voorhangsel, waar Jezus ons is voorgegaan. De schrijver heeft vlak daarvoor uitgelegd waarom die hoop zo vast en betrouwbaar is: God heeft Zijn belofte met een eed bevestigd, en het is onmogelijk dat Hij liegt (Hebreeën 6:17–19).
En daarom is dit anker zo betrouwbaar. Het houdt niet vast omdat ik sterk genoeg ben, of omdat ik mij vandaag hoopvol voel. Het houdt vast omdat God Zijn beloften niet verbreekt en niet kan liegen. Zelfs wanneer mijn wereld instort, mag ik mij aan Zijn beloften vastklampen. Mijn houvast ligt niet in mijn eigen kracht, maar in Zijn onveranderlijke trouw.
Het anker ligt niet in mij of mijn omstandigheden. Het ligt in Hem.
Maar betekent dit dat een christen zich nooit wanhopig kan voelen?
Absoluut niet.
Je kunt zo hard door een storm worden geslingerd dat je nauwelijks nog weet waar boven en onder is. Dat je niets meer ziet dan de golven om je heen. Maar een schip dat heen en weer geslingerd wordt, is nog niet hetzelfde als een schip dat zijn anker kwijt is.
Zelfs Paulus kende die wanhoop. In 2 Korinthe 1:8-9 schrijft hij dat hij en zijn medewerkers zo zwaar verdrukt werden dat ze zelfs aan hun leven wanhoopten. En toch schrijft hij direct daarna dat ze leerden niet op zichzelf te vertrouwen, maar op God, Die de doden opwekt (vers 9). Paulus ontkende de ernst van zijn omstandigheden niet. Hij wist hoe het voelde wanneer het leven je krachten te boven ging.
Paulus leerde dat zijn vertrouwen uiteindelijk niet moest rusten op zijn eigen vermogen om de omstandigheden te overleven, maar op de God Die zelfs doden kan opwekken. Zijn omstandigheden hadden hem tot wanhoop gebracht, maar Gods macht en trouw waren daardoor niet veranderd.
De storm was werkelijk. Maar Gods trouw was dat ook.
Hoop die niet beschaamt
Paulus schrijft in Romeinen 5:
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.
— Romeinen 5:5 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Let eens op wat Paulus hier zegt. Hij schrijft niet dat onze hoop ons niet zal teleurstellen omdat alles uiteindelijk precies verloopt zoals wij gehoopt hadden.
Hij wijst naar Gods liefde.
En niet zomaar naar de wetenschap dát God ons liefheeft, maar naar Zijn liefde die door de Heilige Geest in onze harten is uitgestort.
Dat raakt mij persoonlijk. Want op mijn diepste punt twijfelde ik niet alleen aan mijn toekomst. Ik twijfelde ook of God mij, na alles wat ik verkeerd had gedaan, nog wel lief had en genadig zou zijn. Mijn kapotte omstandigheden werden de maatstaaf voor Zijn liefde.
En juist toen kwam Hij naar mij toe.
Niet om mij te vertellen hoe mijn toekomst eruit zou zien. Niet om mij te beloven dat ik alles terug zou krijgen wat ik verloren had, maar om mij persoonlijk te laten ervaren dat Hij mij niet had losgelaten.
Mijn omstandigheden vertelden mij dat ik alles kwijt was. Maar Gods liefde vertelde mij dat ik Hem niet kwijt was.
En dat is waarom Bijbelse hoop niet beschaamt. Niet omdat God verplicht is onze plannen te laten slagen, maar omdat onze hoop rust op de God Die ons liefheeft en ons door Jezus Christus toegang heeft gegeven tot Zijn genade. Die hoop zal uiteindelijk niet tevergeefs blijken.
De God van de hoop
En dan schrijft Paulus iets wat achteraf bijna leest als een beschrijving van wat God die dag bij mij deed:
De God nu van de hoop moge u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.
— Romeinen 15:13 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Kijk eens naar die volgorde.
Hij noemt God de God van de hoop. Vervolgens spreekt hij over blijdschap en vrede, over geloven, over overvloedig worden in hoop — en dat alles door de kracht van de Heilige Geest.
Dat was precies wat ik zelf niet meer kon produceren.
Ik kon mezelf niet uit mijn wanhoop redeneren. Ik kon geen vrede maken. Ik kon geen vreugde opwekken en al helemaal geen hoop uit mezelf persen.
Maar God kon geven wat ik zelf niet meer kon voortbrengen, door Zijn Woord en Zijn Geest. En dat deed Hij zonder eerst mijn omstandigheden te veranderen.
Dat vind ik misschien nog wel belangrijker dan wanneer Hij ze onmiddellijk had veranderd. Want anders had ik gemakkelijk kunnen denken dat mijn hoop terugkwam omdat mijn probleem was opgelost.
Nu wist ik: mijn hoop was nooit bedoeld om op de oplossing van mijn probleem te rusten.
Hoe krijg je verloren hoop terug volgens de Bijbel?
Maar dan blijft natuurlijk de praktische vraag over: als die levende hoop er is, hoe krijg je het zicht erop terug wanneer je haar door pijn, angst of teleurstelling niet meer kunt zien?
Bij mij begon dat met één woord: herinneren.
En juist dat is een van de werken van de Heilige Geest. Jezus zegt over Hem:
Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.
— Johannes 14:26 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Zonder Heilige Geest wordt dat heel moeilijk. Daarom kan ik me heel goed voorstellen dat de mensen die ik aan het begin in de statistieken noemde, geen weg terug vonden naar hun hoop. Ik weet uit eigen ervaring hoe zelfs een christen het zicht op die hoop volledig kan verliezen. Maar wat als je Christus, onze levende hoop, helemaal niet kent? Als niemand je ooit heeft verteld dat er een Redder is, Die hoop kan geven waar jij geen enkele hoop meer ziet?
Want hoe kun je je vastgrijpen aan een hoop waarvan je nooit hebt gehoord? En hoe zul je horen als niemand het je vertelt? (Romeinen 10:14–17). Daarom is het zo belangrijk dat mensen Jezus Christus leren kennen. Want Hij is niet alleen Degene op Wie wij onze hoop vestigen. Hij is onze hoop.
En juist Hij liet mij, door de Heilige Geest, opnieuw zien wat ik onder het gewicht van mijn wanhoop uit het oog was verloren. Midden in die wirwar van gedachten herinnerde Hij mij aan Jezus in de woestijn. Daarna sprak God persoonlijk tot mij. Mijn omstandigheden waren nog hetzelfde, maar mijn blik werd verplaatst.
En als je erop gaat letten, zie je dat patroon door de hele Bijbel heen. Kijk maar eens naar de volgende voorbeelden.
Jeremia: hoop terugvinden door te herinneren
Jeremia kende dat punt waarop je alleen nog maar de puinhopen ziet. Hij zat in de tijd van de ballingschap en zag alle puinhopen van Jeruzalem om zich heen. In Klaagliederen 3 beschrijft hij zijn ellende zo indringend dat hij uiteindelijk zegt:
18 En ik zei: Mijn kracht is vergaan,
en wat ik van de HEERE verwachtte.
19 Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding,
aan de alsem en de gal.
20 Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan,
zij buigt zich neer in mij.
— Klaagliederen 3:18-20 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Dat is nogal wat om als profeet van God te zeggen.
Maar dan gebeurt er iets merkwaardigs. De puinhopen verdwijnen niet. Jeruzalem wordt niet ineens herbouwd. De ballingschap is niet plotseling voorbij.
Jeremia* verandert waar hij zijn gedachten op richt
21 Dit zal ik ter harte nemen, daarom zal ik hopen:
22 Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
23 Nieuw zijn ze, elke morgen; groot is Uw trouw!
24 Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
— Klaagliederen 3:21–24 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
(*De traditionele toeschrijving aan Jeremia is bekend, maar historisch niet zeker.)
Hij zegt eigenlijk: wacht eens even. Ik kijk naar alles wat verloren is gegaan, maar laat mij mij herinneren wie God is.
En dan komt de hoop terug.
Niet omdat de puinhopen verdwenen zijn, maar omdat de puinhopen niet langer het enige zijn waarnaar hij kijkt.
Soms verandert hoop niet doordat God onmiddellijk verandert wat vóór je ligt, maar doordat Hij je opnieuw laat zien Wie naast je staat.
Elia: God versterkt wie niet meer verder kan
Hetzelfde zie je bij Elia. Na de bedreiging door Izebel vluchtte hij voor zijn leven. In Berseba liet hij zijn knecht achter en trok zelf nog een dagreis verder de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten en vroeg God om zijn leven weg te nemen. Je kunt deze geschiedenis nalezen in 1 Koningen 19.
Op de Karmel was Elia’s blik gericht op de macht van God. Maar na het dreigement en de intimidatie van Izebel verschoof zijn blik naar het gevaar, naar zijn eigen tekortschieten en naar zijn vermeende eenzaamheid. Wanhoop dreef hem verder de afzondering in. En juist wanneer je gedachten niet meer worden gevoed door Gods waarheid, maar jouw omstandigheden, kan wat je voelt steeds meer als de enige waarheid gaan klinken.
Elia zei: “Ik alleen ben overgebleven.” Maar God zei in feite: “Elia, wat jij ziet, is niet het hele verhaal. Ik heb er nog zevenduizend.” Ook zei Elia dat hij niet beter was dan zijn vaderen. Dat wijst mogelijk op diepe teleurstelling in zichzelf. Ondanks de overwinning op de Karmel had hij Israël niet blijvend tot God kunnen terugbrengen. Misschien dacht hij: Ik heb uiteindelijk even weinig bereikt als degenen vóór mij. Wat heeft dit allemaal nog voor nut?
Elia verloor niet Gods roeping, Gods aanwezigheid of Gods plan. Hij verloor het zicht erop. Zijn omstandigheden werden de maatstaf van wat hij nog mogelijk achtte.
En hoe reageerde God op een man die zo uitgeput was dat hij niet meer wilde leven?
4 Hijzelf liep echter een dagreis de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en bad om te mogen sterven. Hij zei: Het is genoeg. Neem nu mijn leven, HEERE, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
5 Hij ging onder een bremstruik liggen slapen, en zie, een engel raakte hem aan en zei tegen hem: Sta op, eet.
6 Hij keek op, en zie, aan zijn hoofdeinde lag een koek, op kolen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en ging vervolgens weer liggen.
7 De engel van de HEERE kwam voor de tweede maal, raakte hem aan en zei: Sta op, eet, want de weg zou te zwaar voor u zijn.
8 Toen stond hij op, at en dronk, en liep door de kracht van dat voedsel veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, de Horeb.
— 1 Koningen 19:4-8 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Hij begon niet met een berisping.
Hij gaf hem te eten en te drinken.
De engel zegt tegen hem: “Sta op, eet, want de weg zou te zwaar voor u zijn.”
God ontkende dus niet dat de weg zwaar was. Hij zei niet: Elia, stel je niet aan. Je bent toch een man van geloof? Hij erkende dat Elia die reis niet op eigen kracht kon afleggen. Eerst moest hij gevoed worden.
En daar zit voor mij een geestelijke waarheid in:
je kunt niet reizen op een geestelijk lege maag.
Zoals ons lichaam voedsel nodig heeft, hebben wij geestelijk voedsel nodig om staande te blijven wanneer het leven zwaar wordt. Om vol te houden wanneer we het liefst zouden opgeven. Want als we ons niet blijven voeden met Gods Woord, lopen we het gevaar geestelijk uitgeput te raken.
Waar Elia lichamelijk voedsel en drinken kreeg, kreeg ik op dat moment geestelijk voedsel: Gods Woord. Eerst Zijn geschreven Woord, dat de Heilige Geest mij in herinnering bracht. En daarna dat persoonlijke, gesproken woord waarmee Hij dwars door alle chaos heen tot mij sprak.
God gaf mij voedsel voor de reis die voor me lag.
En toen ik die woorden over eten en drinken bij Elia las, sloeg het als een bom in. Want waar doet dat je aan denken?
Aan Jezus, Die Zichzelf het Brood des levens noemt.
In Johannes 6 zegt Hij:
48 Ik ben het Brood des levens.
49 Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven.
50 Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft.
51 Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.
— Johannes 6:48–51 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
— Johannes 6:56
De Geest is het Die levend maakt, het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.
— Johannes 6:63 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
En iets verder, in Johannes 15, zegt Hij:
Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen. [...] Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen.
— Johannes 15:5,7 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Zie je de verbinding? Jezus noemt Zichzelf het Brood des levens. Hij zegt dat Zijn woorden geest en leven zijn, en dat wij in Hem moeten blijven en Zijn woorden in ons.
Het gaat dus niet alleen om weten wie Jezus is, maar om in Hem blijven, ons voeden met Zijn Woord en voortdurend afhankelijk zijn van Hem.
Elia kon die lange reis niet afleggen zonder eerst gevoed te worden. En ook wij kunnen niet op eigen kracht het geestelijke leven leiden waartoe Christus ons geroepen heeft.
Hij is niet alleen Degene op Wie onze hoop gericht is. Hij is ook het Brood des levens, dat ons geestelijk voedt en versterkt. Daarom hebben wij Zijn Woord zo hard nodig: om in Hem te blijven en staande te blijven wanneer de weg zwaar wordt.
Habakuk: hoop wanneer er niets verandert
Ook Habakuk, die vermoedelijk een tijdgenoot van Jeremia was, leefde in een periode waarin Juda een onzekere toekomst tegemoetging. Toch liet hij zijn vertrouwen niet bepalen door de omstandigheden. Habakuk gaat nog een stap verder.
Hij zegt niet: ik vertrouw op God omdat ik zie dat alles langzaam beter wordt. Integendeel:
17 Al zal de vijgenboom niet in bloei staan
en er geen vrucht aan de wijnstok zijn,
al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen
en zullen de velden geen voedsel voortbrengen,
al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn
en er geen rund in de stallen over zijn –
18 ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen,
mij verheugen in de God van mijn heil.
— Habakuk 3:17–18 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Dat is geen ontkenning van de werkelijkheid. Hij zegt niet dat de vijgenboom stiekem toch bloeit. Hij noemt juist op wat er níét is. Geen vrucht. Geen opbrengst. Geen zichtbare reden om te zeggen: het komt goed.
En dan dat kleine woordje: toch. Dat is Bijbelse hoop.
Niet: ik zie genoeg redenen om te hopen.
Maar: ook wanneer ik ze niet zie, weet ik op Wie ik hoop.
Abraham: tegen hoop in geloven in hoop
En dan is er Abraham.
Zijn lichaam vertelde hem al jaren hetzelfde verhaal: te oud. Sara’s lichaam vertelde precies hetzelfde: te oud. Elke maand, elk jaar dat voorbijging, sprak de werkelijkheid een nog hardere taal. Er zou geen kind komen. Niet voor Abraham, niet voor Sara. Die hoop — de hoop die je kunt zien, aanraken, berekenen — was al lang gestorven, begraven onder tientallen jaren van teleurstelling.
En toch schrijft Paulus iets dat bijna onlogisch klinkt:
En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn.
— Romeinen 4:18 (NBG51)
Lees dat nog eens. Tegen alle hoop in, in hoop geloven. Twee soorten hoop naast elkaar. De hoop die voortkomt uit wat menselijkerwijs mogelijk lijkt, en de hoop die rust op wat God heeft beloofd.
Abraham stond voor een keuze die wij allemaal, ooit, voor onszelf moeten maken: welke stem geloof ik? De stem van mijn omstandigheden, of de stem van God?
Let op: dit is geen verhaal over doen alsof. Geloof is geen trucje waarbij je je ogen dichtknijpt voor de feiten. Abraham ontkende niets. Hij wist precies hoe oud hij was. Hij ws niet dement. Hij voelde precies hoe onmogelijk het was. Bijbelse hoop vraagt niet van je dat je de werkelijkheid negeert — ze vraagt dat je verder kijkt dan de werkelijkheid.
Natuurlijke hoop stelt de vraag: "wat lijkt er nog mogelijk?"
en zegt: ik heb hoop omdat mijn omstandigheden mij daar reden toe geven.
Bijbelse hoop stelt een heel andere vraag: "wat heeft God gezegd — en wie is Degene die het gezegd heeft?"
en zegt: ik heb hoop omdat Degene die beloofd heeft, betrouwbaar is.
Dat is het verschil tussen leven volgens wat je ziet, en leven volgens Wie je kent. Want als je ogen alleen het zichtbare kunnen peilen, zal elke onmogelijke situatie je hoop breken. Maar als je hoop rust op de God die sprak en de dingen die niet waren tot aanzijn riep — dan is geen situatie ooit werkelijk hopeloos. Niet omdat de feiten anders zijn dan ze zijn, maar omdat God groter is dan de feiten.
Dát is waarom deze hoop zo radicaal anders is. Ze wordt niet gevoed door wat mogelijk lijkt, maar door Wie onmogelijke dingen mogelijk maakt.
Kun je de levende hoop werkelijk kwijtraken?
En daarmee kom ik terug bij de vraag die mij na mijn eigen ervaring bezighield.
Was ik mijn hoop werkelijk kwijt? Of was ik het zicht erop kwijt?
Door deze ervaring heb ik geleerd dat het laatste was.
De levende hoop die God bij de wedergeboorte in mij had gelegd, was niet verdwenen. Christus was niet verdwenen. De Heilige Geest was niet verdwenen. Gods karakter was niet veranderd. Zijn liefde voor mij was niet opgehouden omdat ik verkeerde keuzes had gemaakt. Zijn beloften waren niet ineens ongeldig geworden omdat mijn leven in stukken lag.
Maar ik zag het allemaal niet meer. Mijn omstandigheden stonden als een enorme muur voor mijn ogen.
En misschien is dat wel één van de gevaarlijkste dingen van wanhoop: niet dat er werkelijk niets meer is om op te hopen, maar dat je op een gegeven moment niets anders meer kunt zien dan datgene wat je verloren hebt.
Daarom is herinneren zo belangrijk.
Niet jezelf wijsmaken dat het allemaal wel meevalt. Niet je pijn wegdrukken. Niet doen alsof de vijgenboom toch bloeit terwijl je met eigen ogen ziet dat hij kaal is.
Maar midden in die werkelijkheid opnieuw herinnerd worden aan wat óók waar is.
God is er nog.
Zijn Woord staat nog.
Zijn karakter is niet veranderd.
En wat Hij in jou begonnen is, is niet verdwenen omdat jij het even niet meer kunt zien.
De Emmaüsgangers: wanneer je hoop op het verkeerde is gericht
Het laatste verhaal dat ik wil aanhalen, brengt voor mij eigenlijk alles bij elkaar: de Emmaüsgangers.
Jezus Christus is net gekruisigd en twee discipelen lopen weg uit Jeruzalem, richting Emmaüs. Hun hoop ligt aan diggelen. En terwijl ze daar lopen, komt Jezus naast hen lopen.
Dat alleen al vind ik bijzonder.
Hun hoop loopt letterlijk naast hen terwijl zij vertellen dat ze haar kwijt zijn. Ze herkennen Hem alleen niet. En is dat niet precies wat wanhoop soms doet? God kan dichterbij zijn dan je denkt, terwijl alles in jou zegt dat Hij nergens te bekennen is.
Jezus begint niet meteen met een uitleg. Hij vraagt waarover ze zo druk met elkaar praten. Hij toont interesse in wat hen bezighoudt. En dan komt die pijnlijke zin:
En wij hoopten dat Hij het was Die Israël zou verlossen. Maar al met al is het vandaag de derde dag sinds deze dingen gebeurd zijn.
— Lukas 24:21 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
Wij hoopten. Verleden tijd.
Ze hadden hun hoop op Jezus gesteld, maar tegelijkertijd hun eigen verwachtingen verbonden aan hoe Hij Israël zou verlossen. Ze verwachtten bevrijding, mogelijk ook van de Romeinse overheersing. Maar een Messias die aan een kruis stierf? Dat paste niet in hun beeld van verlossing en toen Jezus stierf, leek daarmee ook hun hoop gestorven. Terwijl juist aan dat kruis Gods verlossingsplan werd vervuld.
Dat vind ik een confronterende gedachte: soms denken wij dat God Zijn belofte niet heeft waargemaakt, terwijl Hij alleen niet heeft voldaan aan onze interpretatie ervan.
Hij brengt hen terug naar de Schriften. Vanaf Mozes en de Profeten legt Hij uit en herinnert hen wat er over Hem geschreven staat. Zijn lijden en sterven waren geen mislukking van Gods plan. Het was precies wat de Schriften hadden voorzegd.
Maar er gebeurt nog iets bijzonders.
Jezus opent niet alleen de Schriften voor hen, maar ook hun ogen.
Wanneer zij later met Hem aan tafel zitten en Hij het brood breekt, worden hun ogen geopend en herkennen zij Hem! ( Lukas 24:31 ).
De Man om wie ze rouwden, had al die tijd levend naast hen gelopen!
En even later lezen we hoe Jezus ook het verstand van de andere discipelen opent, zodat zij de Schriften begrijpen ( Lukas 24:45 ).
En daar zit iets wat we niet mogen missen.
Je kunt Gods Woord lezen, zelfs uit je hoofd kennen, en toch voorbijgaan aan wat God je daarin wil laten zien. We hebben de verlichting van de Heilige Geest nodig om Zijn waarheid werkelijk te verstaan. Niet voor niets bidt Paulus in Efeze 1:17-18 om de Geest van wijsheid en openbaring en om verlichte ogen van het verstand. En waarvoor? Opdat wij weten wat de hoop van Gods roeping is en de erfenis welke Hij in ons gelegd heeft!
En zie je hoe dit alles samenkomt?
Jezus brengt de Emmaüsgangers terug naar wat God werkelijk heeft gezegd. Hun verwachtingen worden gecorrigeerd door de Schriften, en hun ogen worden geopend voor de werkelijkheid die ze niet hadden gezien. De kruisiging was echt gebeurd. Hun verdriet was echt. Maar wat zij als het einde beschouwden, bleek niet het einde te zijn.
Het graf was leeg. Jezus leefde!
God had al gehandeld, terwijl zij nog rondliepen met het verdriet van een hoop die verloren leek.
En later zeggen ze tegen elkaar:
En zij zeiden tegen elkaar: Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende?
— Lukas 24:32 (HSV, © Stichting HSV en Royal Jongbloed 2010-2017)
De hoop die dood leek, begon weer te branden. Niet omdat Jezus hun oude verwachting alsnog uitvoerde, maar omdat ze eindelijk begonnen te begrijpen waarop hun hoop werkelijk gebaseerd was en wat God werkelijk had beloofd.
En vervolgens keren ze om. Ze waren van Jeruzalem weggelopen met hun ogen gericht op wat verloren was gegaan. Nu lopen ze terug naar dezelfde stad met hun ogen gericht op de levende Christus.
De weg was dezelfde.
Jeruzalem was dezelfde stad.
Maar zij waren niet meer dezelfde mensen.
Hoe houd je vast aan hoop wanneer je omstandigheden niet veranderen?
Als ik alles in één vraag zou moeten samenvatten, dan is het misschien niet alleen: heb ik nog hoop?
De betere vraag is:
Waarop rust mijn hoop — en waar kijk ik naar?
Als je in Christus bent, is die levende hoop niet verdwenen. Christus Zelf, onze hoop op de heerlijkheid, woont immers door Zijn Geest in ons (Kolossenzen 1:27, Romeinen 8:8-11 ). En die hoop beschaamt niet (Romeinen 5:5 ).
Wat je onder het gewicht van pijn, teleurstelling en moeilijke omstandigheden wél kunt verliezen, is het zicht daarop.
Maar deze pijn en omstandigheden zijn nooit het hele verhaal. En juist daarin helpt de Heilige Geest ons: om ons te herinneren aan wat God gezegd heeft, en je focus terug te leggen op de levende Christus, Zijn Woord, Zijn karakter en Zijn goedheid — niet omdat de omstandigheden opeens gunstig worden, maar omdat de hoop nooit op de omstandigheden gebouwd was. Die hoop rust niet op de zekerheid dat jouw leven verloopt zoals jij het had uitgedacht. Ze rust op Iemand die niet verandert en wiens beloften betrouwbaar zijn.
Net als bij de Emmaüsgangers hebben ook wij nodig dat de Heilige Geest vandaag ons verstand opent voor het Woord. Soms verandert er aan de buitenkant nog helemaal niets, maar begint er vanbinnen iets te verschuiven. Wanneer de Heilige Geest ons door openbaring laat zien dat Jezus leeft en onze situatie in Zijn handen heeft, kan wanhoop plaatsmaken voor hoop. Onze gevoelens en omstandigheden hebben namelijk niet het laatste woord.
Wij vertrouwen immers niet op de veranderlijke omstandigheden, maar op de onveranderlijke God!
Levende hoop begint niet wanneer de storm eindelijk gaat liggen.
Levende hoop blijkt juist een anker te zijn wanneer de storm nog bezig is.